Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

29 - Cyrillus van Jeruzalem en de eucharistie.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 29 van het kerkelijk jaar
Psalm 23 • Prediker 9,7-10 & 13-18 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsMen zou de tijd na Pinksteren, de tijd van de Kerk kunnen noemen. Door het pinkstervuur groeit de gemeenschap der gelovigen. Het boek van de Handelingen der Apostelen geeft van deze hele ontwikkeling een boeiend overzicht. Te Jeruzalem is het Jakobus, een van de broers van Jezus, die de leider wordt. Later zal men over de bisschop van Jeruzalem spreken. Hij is de auteur van de brief van Jakobus, en wij kunnen door zijn geschrift persoonlijk met hem kennismaken. Wij willen daar thans niet bij stilstaan, maar een paar honderd jaar verder vliegen in de tijd. Een van de opvolgers van Jakobus als bisschop van Jeruzalem is Cyrillus. Ook van hem hebben wij geschreven teksten, zodat wij persoonlijk kennis kunnen maken met deze innemende man.
Laat ons eerst beginnen met het leven van Cyrillus van Jeruzalem. Hij werd in deze zeer heilige stad geboren, waarschijnlijk in het jaar 313. Dit jaartal is bekend als het jaar van het edict van Milaan, waarbij de christen Constantijn en de heiden Licinius het christendom erkennen als een van de getolereerde godsdiensten. De christenvervolging in het Romeinse rijk hoort hiermee in principe tot het verleden. In 324 overwint keizer Constantijn Licinius en komen ook de oostelijke provincies van het imperium onder zijn gezag. Twee jaar later bezoekt Helena, de moeder van de keizer, Jeruzalem en laat onder andere de tempel van Venus (of van Jupiter Capitolinus?) afbreken die op de plaats van het graf van Jezus en van Golgota gebouwd was. De Anastasiskerk of kerk van de Opstanding (in het westen de kerk van het Heilig Graf genoemd), wordt op last van Constantijn ter plaatse opgetrokken, en in 335 plechtig ingewijd. Cyrillus is dan ongeveer 22 jaar oud, en de plechtigheid evenals het gebouw zelf, zullen ongetwijfeld een diepe indruk op hem gemaakt hebben. Ook op de Olijfberg laat de keizer een kerk, de Eleona, bouwen. Waarschijnlijk in 348, Cyrillus is dan slechts 35 jaar, wordt hij tot bisschop van Jeruzalem gewijd. Zijn ambtsperiode wordt helaas niet door rust en vrede gekenmerkt. De Arianen, voor wie Jezus slechts een schepsel is, krijgen het aan de stok met de meer Orthodoxen, en Cyrillus wordt driemaal verbannen. De laatste ballingschap duurt niet minder dan elf jaar.
Daar komt nog bij dat in 362 de toenmalige keizer, Julianus de Apostaat, die tot een anti-christelijke restauratie van het imperium wil overgaan, ook de tempel van Jeruzalem wil laten herbouwen. Na de laatste joodse opstand van 135, had keizer Hadrianus op het tempelplein een heiligdom voor Jupiter laten optrekken, met zijn eigen ruiterstandbeeld er voor. Door de plotse dood van Julianus worden de werken voor de herbouw van de joodse tempel echter vrij snel gestaakt. Men moet hier nog aan toevoegen dat het ook, sinds de dagen van Hadrianus, voor joden verboden was Jeruzalem te betreden of er zich te vestigen. De christelijke keizers hebben daar later niets aan veranderd, behalve dat zij het treuren aan de tempelmuur op de 9e Av toestonden. Pas veel later, in 438, mogen joden zich weer in hun heilige stad vestigen. Op 68-jarige leeftijd neemt Cyrillus, in 381, deel aan het tweede oecumenisch concilie, dat van Constantinopel. Op dit concilie wordt de leer van de triniteit definitief vastgelegd. In 386 tenslotte, op 73-jarige leeftijd, overlijdt Cyrillus bisschop van Jeruzalem. Hij wordt begraven in de crypte onder het altaar van de Eleonakerk, die heden nog te zien is. Die crypte, een oude grot, zou de plaats zijn waar Jezus het Onze Vader aan zijn discipelen geleerd heeft. De Olijfberg is overigens volgens de Schrift, de berg waar God zal verschijnen aan het einde der tijden en de eerste doden zullen verrijzen.
Welke geschriften hebben wij nu van Cyrillus? Een preek over Johannes 5, de genezing van de lamme van Betesda. Een brief aan keizer Constantius (337-361) over een kruisverschijning in Jeruzalem. En dan zijn er zijn beroemde 23 catecheses, waarschijnlijk uit het jaar 348. Het merendeel van deze catecheses heeft hij gehouden in de Anastasiskerk, dus op een paar tientallen meter van Golgota en het graf van Jezus. Beide heilige plekken bevonden zich aan een open binnenplaats die zich achter de eigenlijke kerk bevond. De eerste 18 uiteenzettingen zijn bedoeld voor degenen die zich op de doop in de Paasnacht voorbereiden. Zij handelen voornamelijk over de geloofsbelijdenis van Jeruzalem die op die van Nicea gelijkt. De laatste 5 uiteenzettingen (dus 19-23) zijn beroemd in de hele christelijke Kerk en worden de mystagogische catecheses genoemd omdat zij uitleg geven over de mysteriën, dit wil zeggen de drie sacramenten van doop, chrisma (oliesel) en eucharistie. Deze lessen gaf Cyrillus in de week na Pasen aan de pas gedoopten, die dus juist de drie sacramenten ontvangen hadden. Men moest eerst de sacramenten proeven en pas daarna werd het allemaal uitgelegd.

In hetgeen volgt willen wij ingaan op de vierde mystagogische catechese (of 22) die handelt over de eucharistie. De uiteenzetting bestaat uit 9 paragrafen (§) die wij weergeven in de mate van hun betekenis voor ons (1).
Cyrillus van Jeruzalem begint met te zeggen dat het bij de eucharistie om gewoon brood en gewone wijn gaat. Nochtans zegt Jezus bij de instellingswoorden dat het zijn lichaam en zijn bloed is. Wij moeten deze woorden van Jezus ernstig nemen en er niet aan twijfelen (§1). Men kan het zich best voorstellen als bij het wijnwonder van Kana. Jezus maakt van water wijn. Waarom zou hij dan geen lichaam en bloed kunnen maken? Jezus deed het op een gewone bruiloft, hij kan het nu zeker doen op zijn eigen bruiloft (§2). Mooi is deze gedachte van het Heilig Avondmaal als bruiloftsmaal van Christus! Dit is echt naar de geest van de evangeliën.

Laten wij het daarom met volle overtuiging als Lichaam en Bloed van Christus tot ons nemen. Want onder het teken van brood wordt u Zijn Lichaam, onder het teken van wijn Zijn bloed geschonken, opdat u door het nuttigen van het Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt. Insgelijks worden wij zo Christus-dragers, als Zijn Lichaam en Zijn Bloed over onze ledematen verspreid worden. Op die manier worden wij volgens de heilige Petrus deelgenoten aan de goddelijke natuur (§3).

Volgens deze paragraaf wordt men tot Christus-dragers of Christoforen. Het gaat hier niet om het dragen van Christus op de schouder, zoals bij de traditionele Christoffel figuur, maar om een dragen van Christus in het lichaam van de deelnemer. Men wordt één van lichaam en bloed met Christus. De uitdrukking goddelijke natuur komt uit 2Petrus 1,4 en is uniek in het Nieuwe Testament. Deze woorden werden misschien tijdens de eucharistische liturgie gebruikt. Men krijgt deel aan de goddelijke natuur via de goddelijke natuur van Christus. De bedoeling van Cyrillus is wellicht te zoeken in het dogmatisch gedachtengoed van het ogenblik. Vanuit andere gedeelten van het Nieuwe Testament zou men ook kunnen zeggen: door brood en wijn krijgt men deel aan Christus’ dood, maar ook aan zijn opstanding (1Korintiërs 15,49 Filippenzen 3,10v 1Petrus 4,13 en 5,1 en zo meer). De verrijzenis en verheerlijking wordt dan betiteld als de goddelijke natuur.
Nadat Cyrillus zo eerst alles zeer realistisch heeft toegelicht, gaat hij in twee volgende paragrafen de geestelijke dimensie van het lichaam en het bloed uitleggen. Hij zegt dat de mens uit een lichaam en een ziel bestaat. Welnu, het brood en de wijn passen bij het lichaam en voeden het, maar de woorden die Jezus erbij uitspreekt, zijn bestemd voor de ziel. Voor de waarneming van de mens smaken brood en wijn, als brood en wijn. Maar voor het geloof van de mens, dat beantwoordt aan de woorden van Jezus, gaat het om het lichaam en bloed van Christus. Wanneer men goed luistert, kan men Cyrillus allerminst beschuldigen van grof realisme, de woorden en het geloof spelen immers een centrale rol (§5 en 6).

Dan zal de heilige David u de uitwerking ervan verklaren:

U hebt voor mij een tafel aangericht tegenover hen die mij verdrukken (Psalm 23,5). Hij bedoelt hiermee het volgende: ‘Voor Uw komst hadden de duivelen een tafel voor de mensen klaargezet, een vuile en onreine, vol duivelse uitwerking. Maar na Uw komst heeft U, o Meester, een tafel voor mij aangericht’. Wanneer de mens tot God zegt: ‘U heeft voor mij een tafel aangericht’ bedoelt hij niets anders dan deze geheimnisvolle en geestelijke tafel, die God voor ons bereid heeft in plaats van die welke aan de overzijde staat, en tegen die van de duivelen in. En dat zegt hij heel terecht. Want die eerste tafel gaf gemeenschap met de duivels, maar deze geeft gemeenschap met God.
U heeft mijn hoofd met olie gezalfd (Psalm 23,5). Met olie heeft Hij u het hoofd, het voorhoofd, gezalfd door middel van dat stempel Gods dat u thans draagt: opdat u de afdruk van dat stempel zoudt worden, een heilige zaak van God.
En Uw kelk bedwelmt mij als de krachtigste (Psalm 23,5). U begrijpt dat hier de kelk bedoeld wordt die Jezus in Zijn handen nam en waarover Hij dankzeggend zei: Dit is Mijn Bloed dat voor velen vergoten wordt tot vergiffenis van zonden (§7).

Een paar woorden uitleg bij deze paragraaf. Het geciteerde psalmvers wordt volledig betrokken op de eucharistie en op het chrisma, de zalving die men samen met de doop in de Paasnacht ontvangen heeft. De tafel van de duivels, waar Cyrillus het eerst over heeft, slaat waarschijnlijk op de heidense godsdiensten en hun offers die in Jeruzalem aanwezig waren zoals wij zagen (vergelijk ook 1Korintiërs 10,19-22). De heilige zalving op het voorhoofd wordt een stempel genoemd. Wellicht werd het chrisma in kruisvorm aangebracht, in de vorm van de Griekse letter chi (Andreaskruis). Het kruisteken dat tegelijk ook de eerste letter is van Christus, wordt zo beschouwd als stempel en eigendomsteken. Na een vers van David volgt dan een gedeelte van Salomo uit het boek Prediker.

Hierom zegt ook Salomo, doelend op deze genade in het boek Prediker 9,7-8:

Kom, eet in vrolijkheid uw brood, uw geestelijk brood. Kom, roept hij in een verlossende en zaligende kreet, en drink opgewekt uw wijn, uw geestelijke wijn. En laat olie over uw hoofd uitgieten, merkt u op, dat hij ook nog zinspeelt op het sakramentele chrisma? - En laat altijd uw klederen wit zijn, omdat de Heer uw werken heeft aanvaard. Voordat u namelijk aansluiting had met de genade, waren uw werken ijdelheid der ijdelheden. Maar nu u de oude gewaden hebt uitgetrokken en de geestelijke-witte hebt aangetrokken, behoort u altijd in het wit gekleed te gaan. Wij bedoelen hiermee volstrekt niet dat u altijd een wit pak moet dragen, maar wel is het noodzakelijk dat u altijd in het echt witte en heldere en geestelijke gekleed gaat, opdat u met de heilige Jesaja kunt zeggen: Laat zich mijn ziel verheugen in de Heer, want Hij heeft mij gehuld in het kleed van verlossing en mij de mantel van blijdschap omgeslagen (Jesaja 61,10) (§8).

Ook hier een paar woorden uitleg bij deze paragraaf. Cyrillus herhaalt dat brood en wijn een geestelijk karakter dragen. Het chrisma komt weer aan de orde. Maar nu komt er bij dit alles de vrolijkheid. De vreugde en de blijdschap zijn in onze kerkelijke plechtigheden dikwijls ver te zoeken! Het stuk over de witte kleren zinspeelt op de doopplechtigheid van de Paasnacht. Men trekt de oude kleren uit, daalt af in het bassin waarin men gedoopt wordt, en trekt daarna nieuwe witte kleren aan. Deze witte kleren zijn het beeld voor de nieuwe geestelijke levenswijze van de christen.
Tot slot nog een randbemerking bij de hele vierde catechese. Cyrillus van Jeruzalem betrekt zonder enig probleem David en Salomo bij de christelijke sacramenten. Hij houdt er geen rekening mee dat het zogenaamde Oude Testament aan Israël toebehoort. Ook op andere plaatsen van de catechese, die wij niet weergegeven hebben, krijgt men met deze houding te maken. Het jodendom lijkt voor Cyrillus een voorbijgestreefde zaak te zijn, en zo ook de oorspronkelijke betekenis van de Hebreeuwse bijbel. Zoals wij gezien hebben waren er in het Jeruzalem van zijn dagen geen joden meer, en stond er een tempel van Jupiter op de plaats waar eens de schitterende tempel van Herodes de Grote gestaan had. Dit verklaart misschien voor een deel Cyrillus’ zienswijze.

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Wij citeren en maken steeds gebruik van de Nederlandse vertaling van de mystagogische catecheses van de hand van Cl. Beukers s.j.. Men kan deze vinden in, Cyrillus van Jeruzalem, Gij, Nieuwgedoopten, reeks Levensbronnen, Brugge 1964, p.28-31.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be