Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 32 van het kerkelijk jaar
Genesis 7,1-5 • Jesaja 54,4-10 • 1Petrus 3,18-22 •
De eerste verhalen uit de Heilige Schriften, de zogenaamde oergeschiedenis, die betrekking hebben op de hele mensheid, zijn niet altijd makkelijk te verstaan. Men mag ze niet lezen in het raam van ons huidig wetenschappelijk wereldbeeld, waar ze niet in thuis horen, maar men moet ze leren verstaan in het geheel van de oude religieuze litteratuur van het jodendom en het christendom. Wanneer men dit geduldig leert, dan ontdekt men stilaan twee kenmerkende eigenaardigheden van die oerverhalen.
Het eerste kenmerk is hun vertellend en speels karakter. Voor ons houdt godsdienst verband met ernst en plechtigheid en met een zekere zondagse stijfheid. Voor de bijbelschrijvers gaat het ook om belangrijke dingen, maar zij kunnen deze zeer goed speels en humoristisch vertellen. In de joodse wereld spreekt men over het aggadisch karakter van de oergeschiedenis. Men wil daarmee de vertellende, stichtende, moraliserende en homiletische aard van deze teksten aanduiden, en ze onderscheiden van de droge wetteksten uit de Schrift, die men halachisch noemt. Wetten dragen een verplichtend karakter, men dient er zich aan te houden, maar vertellingen of preken zijn vrij, in die zin dat zij bedoeld zijn om mensen aan te spreken, hen iets te zeggen, hen op te bouwen, maar dat doen ze niet noodzakelijk altijd. Dit vrijblijvend en speels karakter schrikt ons nogal eens af omdat wij het oneerbiedig vinden. Maar achter het speels en humoristisch karakter zit uiteindelijk de genadige God in eigen persoon. Men kan met de mensen en met allerlei menselijke toestanden lachen, omdat men er heilig van overtuigd is dat God eigenlijk alles in handen heeft, en alles terecht zal brengen. De vrije fantasieën en de humor betekenen dus geen spot, maar juist het ernstig nemen van God en zijn erbarmen jegens zijn wereld. De kleine mens kan het nog zo verkeerd doen, op de God der Schriften kan men vertrouwen. Men mag echt opgelucht lachen met de klungelende mens. Men kan op die manier wel degelijk spelen en stoeien met de bijbelverhalen.
Het tweede kenmerk is hun herhalend, repetitief karakter. Wij willen hiermee zeggen dat hetgeen zich in een welbepaald verhaal afspeelt, zich vele jaren later op een vergelijkbare wijze herhaalt. Er is met andere woorden een overeenkomst tussen de gebeurtenissen van vroeger en van later. Er is een analogie tussen hetgeen gebeurt in verschillende perioden van de geschiedenis van Israël en de volkeren. Dit parallellisme tussen bijbelse verhalen is een zeer boeiend iets, waar men doorgaans te weinig aandacht aan schenkt. In de verschillende verhalen schemert zo een zeker basispatroon door, van Gods handelen met de mensen... Wat nu het welbekende verhaal van de ark van Noach betreft, willen wij achtereenvolgens aandacht schenken aan de twee kenmerken die wij zojuist opsomden. Door deze benaderingswijze zal de geschiedenis duidelijk haar hoopvolle en blijde inhoud prijsgeven.
Eerst het vertellend en speels karakter. In het jodendom aarzelt men niet om allerlei trekjes van het verhaal van de ark van Noach, hetzij aan te dikken, hetzij ronduit eraan toe te voegen. Men doet dit met de bedoeling om de boodschap van de geschiedenis nog duidelijker te maken voor de lezer of de toehoorder. Laat ons een aantal voorbeelden bekijken (1).
Volgens joodse verhalen is het God zelf die door een aardbeving met een onweer de dieren naar de ark drijft. De dieren begrijpen Gods bedoeling en gehoorzamen hem. Maar er zijn er te veel bij de ark, ze kunnen er niet allemaal in, en er moet geselecteerd worden. De dieren die gaan liggen - dit wil zeggen de nederige en vreedzame exemplaren - die mogen erin. De dieren die blijven staan - dit wil zeggen de agressieve en losbandige beesten - die mogen niet mee. Ondertussen begrijpen de mensen nog steeds niet dat het oordeel op komst is. Zij leven gewoon verder. Pas als het water begint te stijgen, komen ze. Maar dan is het echt te laat. God had reeds 120 jaar geduld met hen geoefend. Het is duidelijk dat de dieren, zoals in de dierenfabels van de wereldlitteratuur, hier als voorbeeld voor de mensen fungeren. De dieren begrijpen en gehoorzamen God, de mensen niet. De vredelievende dieren mogen binnen, omdat God deze eigenschap apprecieert; de mensen moeten dus hun voorbeeld volgen, en niet agressief leven.
Tijdens de lange reis in de ark, komt in de verhalen de humor naar boven. Het probleem is uiteraard hoe al de dieren samen kunnen leven, en hoe zij allemaal gevoed geraken. Noach is de foeragemeester van de dierentuin en hij is doodop, want hij moet de dagdieren overdag voeren en de nachtdieren ‘s nachts. Gelukkig zijn er geen problemen met de leeuw, hij heeft de hele tijd koorts en laat de andere dieren met rust. Maar Noach weet niet wat de kleine ziqta (kameleon?) eet. Tot op de dag dat hij een granaatappel doorsnijdt en er een worm uit kruipt. Als de bliksem verslindt de ziqta de worm. Dan weet Noach het, en hij begint wormen te kweken om het merkwaardige dier te voeden. En dan is er de geschiedenis van de ursjina, die vreedzaam slaapt in een hoek van de ark. Noach vraagt haar of zij iets te eten moet hebben, en zij antwoordt, laat het maar zo, ik wil u er geen zorgen bijgeven. Noach is zo getroffen door het begrip dat de ursjina voor zijn situatie heeft, dat hij wenst dat het dier eeuwig zal leven. En God verhoort zijn gebed (vergelijk de welbekende verhalen over de feniks).
Toch is het niet al humor wat de klok slaat. De verschrikkelijke realiteit van de dood komt ook extra uit in de joodse vertellingen. De mensen en de dieren roepen in grote angst tot God. Het volgende gebed wordt Noach in de mond gelegd. O Heer, help ons, want wij kunnen het kwaad dat ons omringt niet dragen. De golven rijzen rond ons op, de stromen van verwoesting maken ons bang en de dood kijkt ons recht in de ogen. O hoor ons gebed, verlos ons, buig u over ons en wees ons genadig. Verlos ons en red ons! De verschrikkingen van de dood worden goed in de verf gezet, en tegelijk wordt alle hoop op Gods redding gevestigd. Duidelijker kan het niet. Wanneer later de raaf op verkenning wordt uitgestuurd, komt deze niet terug. Macaber detail, de raaf heeft het lijk van een mens gevonden, en zij eet daarvan.
Nu het herhalend, repetitief karakter. In de geschiedenis die God met zijn volk Israël en met de volkeren der wereld doorloopt, de zogenaamde heilsgeschiedenis, bestaat er een analogie tussen verschillende momenten. Verschillende bedrijven, die in heel verschillende tijden spelen, vertonen een zelfde opbouw en structuur. In het verhaal van de ark van Noach gaat het in wezen eerst om het oordeel Gods over de mensen, die hem ontrouw zijn. In dit oordeel openbaart zich tegelijk echter ook Gods erbarmen en zijn genade over een deel van deze mensen. Oordeel en redding, daar gaat het om.
Sinds oude tijden leest men op sabbat in de synagoge twee gedeelten uit de Schrift voor. Eerst een lange lezing uit de Thora, en daarbij aansluitend een tweede, doorgaans kortere, lezing uit de Profeten. De vraag is daarbij steeds weer wat het verband is tussen de twee gedeelten. Welnu wanneer men in de synagoge, zowel vroeger als nu, het gebeuren met de ark van Noach voorleest, dan leest men daarbij als lezing uit de Profeten, de zogenaamde haftara, het gedeelte dat wij lazen uit Jesaja. Deze haftara ligt eigenlijk voor de hand, daar Noach erin genoemd wordt. Het gedeelte uit Jesaja speelt omstreeks het einde van de Babylonische ballingschap van het joodse volk. Het volk Israël wordt gepersonifieerd als een vrouw. Zij is te schande geworden, daar haar man haar verlaten heeft. Zij is in feite weduwe geworden. Maar daar gaat nu verandering in komen. En dan blijkt ineens in deze beeldspraak, dat God zelf de echtgenoot van de vrouw is. God is met zijn uitverkoren volk gehuwd. De geschiedenis verliep als volgt. De woestijntijd was de tijd van de verloving en de grote liefde. De periode van het ene en later de twee rijken, was de tijd van het huwelijk. Deze verbintenis liep stilaan op de klippen, en de ballingschap betekent de echtscheiding. God wil een ogenblik niets meer met zijn volk te maken hebben. Maar nu keert hij terug en gaat de draad weer opnemen. Hij ontfermt zich over zijn volk, en met zijn echtgenote zal God naar Jeruzalem terugkeren. En dan wordt ineens de Babylonische ballingschap vergeleken met de zondvloed uit de tijd van Noach. Beide malen heeft men te maken met Gods oordeel over de ongehoorzaamheid. Maar zoals op de ballingschap de terugkeer gaat volgen, zo komt uit de zondvloed de ark met de geredden tevoorschijn. Beide malen gaat het om Gods uitredding. Deze redding, het uiteindelijke heil, berust op Gods trouw en zijn verbond met de mensen. Er is dus een duidelijk parallellisme tussen het verhaal van Noach en dat van het einde van de ballingschap.
In de latere christelijke overlevering in het Nieuwe Testament, werkt men ook met een dergelijk parallellisme, maar men betrekt dat dan op typisch christelijke thema’s. Onze derde lezing uit 1Petrus 3 is daar een mooi voorbeeld van. Ook hier is het weer de tekst zelf die Noach noemt. Het water van de zondvloed doet denken aan de christelijke doop. In beide gevallen gaat het om gevaarlijk water dat de dood door verdrinking met zich brengt. Voor de zondvloed is dit wel duidelijk, maar het geldt ook voor het doopwater. Zoals de ark van Noach uit dat water redt voor een nieuw leven, zo staat de dopeling recht, na de onderdompeling. Hij staat op voor een nieuw leven, nadat hij eigenlijk gestorven is. In beide gevallen gaat het door de dood heen, naar het nieuwe leven. Het gaat om het oordeel Gods over de mens, en om de redding van die mens door Gods erbarmen. Daar draait het parallellisme rond. Dit geldt voor de dopeling als enkeling, maar eigenlijk evenzeer voor de kerkelijke mensengemeenschap als geheel. Zoals de familie van Noach gered wordt in de ark, zo worden de volgelingen van Jezus door de doop gered in de kerk. In de iconografie is de ark dan ook zeer vroeg een beeld geworden voor de christelijke Kerk.
Wat het typisch christelijke betreft, kan men met Petrus nog een stap verder gaan, en de vraag stellen naar Jezus’ rol in dit alles. Van Noach wordt terloops gezegd dat hij rechtvaardige is (Genesis 7,1). Petrus zegt hetzelfde over Jezus, en tegelijk meer dan dat. Christus is gestorven als rechtvaardige voor de onrechtvaardigen. Door zijn dood voor de zonden der mensen, heeft hij deze laatsten tot God gebracht. Zelf is hij opgewekt uit de dood. Bij de doop gaat de mens eigenlijk Christus achterna. Met hem sterft hij aan zijn zonden in het water. Om daarna met Christus op te staan, in een nieuw leven. De rol die Jezus’ dood en verrijzenis speelt in dit geheel, kan moeilijk overschat worden. Het grote thema van het oordeel over de mensen, en hun uiteindelijke redding, is volledig gekoppeld aan de persoon van Jezus. Dit is kenmerkend voor het christelijk geloof. Toch draagt anderzijds alles wat in Christus heeft plaatsgevonden slechts een voorlopig karakter. Het is geschied, maar het is nog niet duidelijk verwerkelijkt. Men verwacht dit in de toekomst. De Schrift spreekt over het laatste oordeel Gods, aan het einde der tijden. En tegelijk over het behoud in dat allerlaatste oordeel. Dit is de laatste analogie in de hele keten waarin het verhaal van de ark van Noach een zo belangrijke rol speelt.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) Men kan de verhalen vinden in, Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Philadelphia 1909-1938, deel 1 p.157, 161, 162.
Franstalige versie: protestanet.be