Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

De blauwe tuin van tante Pia

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Over trechterjedenken
Openbaring 21: Koninkrijk der Hemelen

Bijbeltekst (NBV)

Openbaring 21

1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. 2 Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. 3 Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. 4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.'
5 Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!' - Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.' - 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. 8 Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.' 9 Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.' 10 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. 11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. 12 Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. 13 Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie. 14 De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. 15 Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. 16 De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. 17 Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el, in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. 18 De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. 19 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, 20 de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. 21 De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. 22 Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 23 De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht. 24 De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. 25 De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26 De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen. 27 Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam.

Verhaal

Bijbels verhaal voor kinderen"Wat is trechtertjedenken?" vraagt Pascal, "dat woord ken ik niet!"
"Trechtertjedenken, is denken aan één enkel ding, al het andere bestaat niet. Net als een trechter: je stopt er boven heel veel in, het komt er maar uit door een heel klein gaatje".
"Mijn buurvrouw is een trechterdenker!" zegt Pascal. "Ze zegt duizend woorden, maar alles komt hierop neer: Pascal, blijf uit mijn tuin!"
Gelach in de kerk. "Duidelijk voorbeeld", zegt hij. En wij gaan lezen uit Openbaring 21 het stuk van de edelstenen. Mijn moeder die altijd sieraden draagt als ze naar de kerk gaat, mocht het lezen, de verzen 11 tot 22. Wij vielen bijna uit de bank van het lachen, mijn vriendin en ik, toen ze daar stond, behangen met goud en edelstenen, en ze dit las:

De Stad van God schittert luisterrijk, ze schittert als een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. De muur was van jaspis, en de Stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. De grondstenen waren versierd met edelstenen: jaspis, lazuursteen, smaragd en sardonix, de negende was topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. Toen las ze nog tot slot: De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de Stad waren van zuiver goud, en schitterden als glas. ‘Tot zover moest ik", zei mijn moeder.

Wij waren klaar met lachen, en hij zei: "Wat een verschillende kleuren allemaal, mevrouw, is u dat opgevallen? Maar ként u die kleuren ook?"
"Jaspis heb je in rood, groen of bruin zelfs", zei mijn moeder, "ook met strepen, lazuur is diepblauw, werkelijk prachtig, smaragd is grasgroen, dat weet iedereen. Sardonix bestaat uit veelkleurige lagen, rood, witachtig of zwart, ze maken er cameeën van, zoals mijn dochter Sofie hier, er eentje toevallig draagt". (En dat was wààr, ik kreeg een kleur als vuur). En mijn moeder ging verder, ze was niet te stuiten: "In de topaas brandt het geel als als vuur, soms is hij ook rood. Laat eens zien what is next: de turkoois, die is nummer tien: die is blauwgroen of hemelsblauw. Dan de granaat, die is donkerrood, en de laatste, de twaalfde, is de amethist: die is violetkleurig. Vroeger werd die steen gebruikt als een amulet tegen dronkenschap".
Ze was buiten adem, mijn moeder, maar het ging dan ook over haar hobby.

Hij zei daarop dat de Stad van God het Koninkrijk van de Hemel is waar Jezus over spreekt, dat dàt de plaats is waar wij heen hopen te gaan, en dat het een prachtige plaats is, vandaar al die edelstenen en kleuren, het mooiste is nog niet mooi genoeg, en het duurste niet duur genoeg.
Toen keek hij rond, en zei: "Onze straten en steden zijn grijs, vooral in de winter, geen enkele mooie kleur te zien. Wij hebben zoveel bedorven. Kinderen, ik vertel jullie het verhaal van TANTE PIA EN HAAR BLAUWE TUIN. En ik laat jullie zien hoe mensen mooie dingen kunnen bederven."
Pascal zei: "Ik ga een trechter kopen voor mijn buurvrouw, als cadeautje, met een kaartje eraan: zo denkt u. Groeten van Pascal".
"Tante Pia hield zeker van turkoois", zei Dikke Hendrik, "want die is blauwgroen of hemelsblauw, dat zegt mama Mandelkern". ( Ik had hem wel een draai om de oren kunnen geven ).
En hij begon: "Tante Pia had dus een blauwe tuin. Eerst niet, toen was het nog een gewone tuin. Maar op een gegeven moment zei mevrouw Goedgebuur tegen mevrouw Dekwaadsteniet: "Hé, zeg, zie je dat?"
"Zie ik wàt?'vroeg mevrouw Dekwaadsteniet.
"Tante Pia heeft een blauwe tuin! Kijk maar, helemaal blauw!"
Ze keken alle twee door het raam, en ja, de tuin van tante Pia was blauw.
Ze riepen hun vriendin, mevrouw de Bruin, en ze zeiden: "Martha, zeg jij nou eens, wat voor kleur heeft die tuin?"
"Blauw, helemaal blauw", zei Martha de Bruin.
"We gaan kijken", zei mevrouw Goedgebuur, "kom mee!"
En daar gingen ze, alle drie, op weg naar de blauwe tuin van tante Pia. Die zat op een bank bij haar raam, dus dat trof, en Lady, haar kat zat naast haar.
Ze keken hun ogen uit, de drie dames: alles, werkelijk àlles was blauw! De drie blauwe dennen op de achtergrond, de asters ervoor, de vergeetmijnietjes met hun tere, blauwe bloempjes, de blauwe climatis langs de muur, en de monnikskapjes om de bank waar tante Pia zat, met nog blauwe druifjes aan de deur.
"Alles is blauw!" zei mevrouw Goedgebuur, Tante Pia, waarom?"
"Dat moet", zei Pia, "dat hoort zo".
"Maar je kat, lieve Pia, is bruin!" zei mevrouw de Bruin.
"En de bank is gebroken wit", zei mevrouw Dekwaadsteniet.
"Nee, dat hoort eigenlijk niet", zei Pia.

De volgende dag was de schilder aan het werk. Hij verfde de bank hemelsblauw, en de deur marineblauw.
"De kleur van turkoois", zei Maria, "wat mooi!"
En hij vertelde verder: "Wacht maar. Ze was aan het breien op haar bank, tante Pia, en wat maakte ze? Een dekje voor haar kat, van purperblauw. "Nu ben je een echte Lady", zei Pia tevreden met haar dameshoofdje scheef. Zelf had ze een lange jurk aan met slaapmutsjes erop, die had ze ook zelf gemaakt. "Lady had de kleur van amethist", zei Maria.
"Maar je kan zeggen wat je wil, Pia, maar je kat is bruin!" zei mevrouw de Bruin.
"Och, laat maar, daar kan dat beest niets aan doen, dat geeft niet", zei mevrouw Dekwaadsteniet.
‘Gebruikk je verstand, Pia", zei mevrouw Goedgebuur.

Maar haar verstand gebruiken, dat deed tante Pia niet. Weet je wat ze deed? Ze ging naar de kapper. Met Lady in een tas. Een blauwe natuurlijk, met een grote zonnebloem erop.
"Verf mij die kat blauw!" zei ze in de kapsalon. "Kom, schiet een beetje op!"
‘Wij verven geen katten, mevrouw", zei de winkelcheffin, "alleen mensen, en die willen geen blauw!"
"Maar ik wil het', zei Pia, "en schiet een beetje op!"
Toen moest Lady op een kapstoel gaan zitten, onder de haardroger. Ze wil niet, nou dan maar op de leuning. Houd u dat beest even vast, mevrouw. Wie is hier de kapster? Doe het zelf, juffrouw, dat is uw vak.
Daar kwamen de kapsters met de blauwe kleurstof, en doopten de kat erin, maar die krabde naar alle kanten. De kapsters gillen, en zuigen het bloed op hun handen, toen hadden ze blauw om hun mond, allemaal. En de kat maar springen, want de haardroger stond aan, en de hele kapsalon zat onder de blauwe spatten, de spiegels vooral. Toen hebben ze haar op straat gejaagd, en Pia erbij, en dag mevrouw, zoekt u het zelf maar uit, wij bellen de glazenwasser op uw kosten.
Pia kwam thuis, doodongelukkig. En Lady zat al voor de deur, dikke staart, hoge rug, blauw aan de linkerkant, en één oor ook. Heel de buurt lag dubbel, dat kunnen jullie begrijpen!"
Dominee Geurs moest even wachten, want Pascal joeg Dikke Hendrik op, alsof die de kat Lady was, alleen omdat hij toevallig een blauwe broek aan had, en een bijpassend jack.
"Gaat u verder alstublieft", zei de kinderkerk, "hoe liep het af?"
"Ze riep de tuinman bij zich om raad, tante Pia, want ze wist het niet meer. Heel de buurt was erbij, die wilde niets missen. "Uitroeien die hele blauwe boel met wortel en tak!" riep mevrouw de Bruin. "Alles rustig zijn gang laten gaan!" zei mevrouw Dekwaadsteniet. "Luister naar de tuinman!" zei mevrouw Goedgebuur.

En die kreeg gelijk. Luister naar de tuinman, waarvoor was hij anders gekomen! "Kijk, tante Pia", zei de tuinman, "weet je wat je doet. Ga citroenplantjes zaaien, die hebben een citroenkleur..."
"De kleur van de topaas", zei Maria.
"Citroengeel, tante Pia", zei de tuinman, "laat het blauw van uw tuin meer uitkomen. Uw tuin lijkt dan meer blauw, en is toch minder blauw. U moet ook denken aan de vlinders".
"De vlinders, waarom", zei tante Pia, "die zie ik tegenwoordig niet meer!"
"Nee, juist mevrouw Pia", zei de tuinman, "en weet u hoe dat komt? Omdat vlinders meer kleuren nodig hebben dan één!"

Wat de tuinman zei, maakte diepe indruk op Pia. Ze waste haar kat in de regenbak zodat het sunlightsop boven het deksel kwam, ze strooide citroenzaad en zette zonnebloemen tegen de drie dennen, die meteen dikke vriendjes werden, en ze gaf door een trechtertje de zaadjes water, want ze was heel precies, tante Pia.
En iedereen was gelukkig, Pia ook. Want ze had nog haar blauw waar ze dol op was, maar ze had ook veel meer, ze had ontdekt dat je niet door een trechtertje moet denken, maar alleen gieten. Ze vierde feest met de buren, tot diep in de nacht, Maar zodra Lady de kapster zag, vluchtte hij blazend naar binnen.
En zo, lieve kinderen, eindigt het verhaal van De Blauwe Tuin van Tante Pia."

 

Dat zei dominee Geurs in de kerk, en in zijn preek zei hij dit. Dat de heilige Stad van God, waarover wij lazen, een feest van kleuren was. Dat geeft aan dat er grote blijdschap was, want lopen op straten van goud, waar vind je dat. En dat alles door het Lam van God dat de zonde wegneemt, en dat zit op de troon. In al die schoonheid van kleuren is er toch ook dat rood...

"De kleur van granaat of van jaspis", zei Maria.
"En tegen dronkenschap op het feest heb je de amethist", zei Pascal, die altijd het laatste woord wil.

En daarmee eindigde de dienst.

Sofia M.

PS Ik heb dit citaat gevonden van Gertrude Jekyll:

Mensen zijn in staat een tuin te verknoeien
in het belang van een woord. Een blauwe tuin
kan snakken naar iets heel citroengeels, maar
dat mag niet, omdat het een blauwe tuin is.

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be