Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

10 - De gelijkenis van het onkruid tussen het koren.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 10 van het kerkelijk jaar
Matteüs 13,24-30 & 36-43 • Joël 4,9-21 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsVoor de prediking en het onderricht aan zijn volksgenoten, maakt Jezus graag gebruik van gelijkenissen. Wij hebben er heel wat van hem in de synoptische evangeliën. Jezus volgt daarin het voorbeeld van de rabbijnen uit zijn tijd. Het vergelijken van geestelijke dingen met gebeurtenissen uit het dagelijkse leven, vergemakkelijkt het begrijpen van die abstracte onderwerpen. Het thema dat steeds weer centraal staat in Jezus’ optreden is het Koninkrijk van God of het Koninkrijk der hemelen (het woordje hemelen is een typisch joods eufemisme voor God). In allerlei gelijkenissen gaat Jezus verschillende aspecten van dat Koninkrijk belichten. Herhaaldelijk gebruikt hij daarvoor concrete gebeurtenissen uit de landbouw, denken wij maar aan de beroemde gelijkenis van de zaaier. Ook hier is dit het geval, het gebeuren op de akker, moet iets duidelijk maken over het Rijk Gods.
Voor de gelijkenis van het onkruid tussen het koren dient men te weten dat het in Palestina niet is zoals hier. Als onkruid in de graanvelden kennen wij wel de distel, of de klaproos, of de korenbloem, planten die vrij onschuldig zijn en eigenlijk kleur en schoonheid aan het geheel toevoegen. Het onkruid waar het in de gelijkenis om gaat is de dolik, een giftige grassoort, met zeer sterke wortels. Als jonge plant valt de dolik bijna niet van koren te onderscheiden. Normaal wiedt men het korenveld vele malen en verwijdert het onkruid zonder problemen, maar in de gelijkenis staat er blijkbaar een dergelijke overvloed aan dolik, dat men niet anders kan dan het koren mee uittrekken. De opdracht is daarom, niet wieden!
In de gelijkenis gaat het over koren, onkruid en de oogst. Deze concrete dingen krijgen dan een geestelijke betekenis. Jezus is niet de eerste geweest om deze realistische beelden te gebruiken. Men heeft dit vroeger reeds gedaan. Als eerste voorbeeld hiervan kan men noemen de profeet Joël, in het stuk dat wij gelezen hebben, het laatste hoofdstuk van zijn boekje (doorgaans hoofdstuk 4, maar in sommige bijbels hoofdstuk 3). De profeet heeft het over de dag des Heren, dit wil zeggen de dag van het laatste oordeel, in het dal Josafat of Jehosafat bij Jeruzalem. God zal de volkeren veroordelen, maar zich ontfermen over zijn volk Israël. Welnu voor dat laatste oordeel gebruikt de profeet onder andere het beeld van de oogst (zie vers 13) met daaraan verbonden de gedachte van de schifting. Een vergelijkbare gedachtengang kan men aantreffen in het boek 4Ezra 4,22-39 (men vindt dit boek in sommige oude bijbels en rekent het tot de apocriefen). Ook daar gaat het om de oogst als de tijd van het laatste oordeel. Maar daarvoor spreekt men over het zaaien van slecht zaad en goed zaad, zoals in onze gelijkenis. Satan wordt niet bij name genoemd, maar er wordt wel op hem gezinspeeld. Tenslotte kan men ook nog denken aan de prediking van Johannes de Doper, de voorloper van Jezus. In Matteüs 3,12 spreekt hij over zijn opvolger, met de wan zal deze het kaf van het koren scheiden. Het laatste is bestemd voor de schuur, het eerste voor het vuur. Het oogstgebeuren verwijst hier weer naar het oordeel en de scheiding van goeden en bozen. Jezus’ gelijkenis sluit dus aan bij een bekende beeldspraak.

Maar wat wil Jezus zelf nu eigenlijk zeggen? Bekende beelden hanteren hoeft nog niet te betekenen dat men hetzelfde wil zeggen als de anderen. In het tweede gedeelte van onze gelijkenis geeft Jezus aan zijn discipelen en privé de uitleg van wat hij bedoelt met zijn verhaal. Toch geeft deze commentaar problemen. Men vindt namelijk in het Koptische Tomasevangelie 57 wel de gelijkenis van Jezus terug, maar niet de uitleg. Dit zou kunnen betekenen dat de uitleg een latere toevoeging is, die niet op Jezus zelf teruggaat. Daarbij komt dat de specialisten van de gelijkenissen doorgaans nogal argwanend zijn wanneer ieder trekje uit de gelijkenis vervolgens op iets wordt toegepast. En dit gebeurt hier. Deze wijze van uitleggen noemt men een allegoriserende verklaring, en men meent dat dergelijke verklaringen niet van Jezus zijn. Dit zou betekenen dat de uitleg van de gelijkenis waarschijnlijk van Matteüs zelf is. Dit is inderdaad goed mogelijk, maar het hoeft ook weer niet te betekenen dat het hele stuk aan Jezus vreemd zou zijn. Het hele gedeelte gaat uiteindelijk over het oordeel aan het einde der tijden. De oogst of het oordeel wordt voltrokken door de engelen op bevel van de Zoon des mensen. Het onkruid, of de volgelingen die teruggaan op het zaaien door de duivel, zullen in de vurige oven geworpen worden. Het goede koren, of de volgelingen die teruggaan op het zaaien door de Zoon des mensen, zullen schitteren in het Koninkrijk van God. Het doel van deze uitleg is dan dat de toehoorders zullen kiezen voor het discipelschap van de Zoon des mensen en niet voor dat van satan, om niet in de oven terecht te komen. Deze boodschap beantwoordt zeker aan de bedoeling van Jezus’ optreden, alleen is het niet dat wat onze gelijkenis wil onderstrepen. De oordeelsgedachte is de basis-vooronderstelling van de gelijkenis, maar niet de pointe ervan, de detailuitleg die Jezus aan dat oordeel wil toevoegen.
Wanneer men nu het eerste stuk van onze lezing uit Matteüs, de eigenlijke gelijkenis, bekijkt, dan is het vreemde van het verhaal dat, tegen het algemeen gebruik in, de heer verbiedt te wieden. De slaven zouden met het onkruid ook het koren uittrekken. Vandaar de gouden raad van de heer en tevens de pointe van de gelijkenis: Laat beide samen opgroeien tot de oogst. Dan pas, bij de oogst, is de tijd gekomen om het onkruid in bossen te binden en te verbranden, en om het koren te verzamelen in de schuur. Wat betekenen nu deze eigenaardigheden van de akkerbouw op geestelijk niveau, dit wil zeggen op het niveau van het Koninkrijk van God? De oogst, het laatste oordeel, is er nog niet. Stellig, dat oordeel van God komt, maar zover zijn we nog niet. Er moet nu rekening gehouden worden met een tijd, een wachttijd, vóór dat einde. Wat kan men zeggen over die wachttijd? Die tijdspanne wordt bepaald door tweeërlei zaaiactiviteiten. Aan de ene kant die van Jezus zelf, die door woord en daad getuigt van het Koninkrijk Gods. Aan de andere kant de zaaiactiviteit van de vijand. Het gevolg is dat de wachttijd bepaald wordt door goede en kwade mensen. Men zou natuurlijk willen wieden, zodat alleen de goeden verder zouden kunnen groeien tot het Rijk Gods. Maar dat wieden wordt nu juist verboden. Dit betekent dat hier en nu, dit wil zeggen vóór het laatste oordeel en de komst van het Rijk, de goeden en de kwaden, de volgelingen van God en de volgelingen van satan, gemengd moeten blijven. Men mag niet en men kan niet reeds nu een oordeel uitspreken. Alles moet onder elkaar vermengd blijven, ze moeten beide samen opgroeien. Pas als ze beide opgegroeid zijn, komt de oogst, en de scheiding. Dat is het wat Jezus wil zeggen, laat u niet afschrikken door de mengeling van rechtvaardigen en zondaars in de wereld. Dat hoort nu nog zo en is niet te veranderen. Straks komt het oordeel en dan blijven alleen de rechtvaardigen. Wees dus ondanks alle moeilijkheden, en blijf ondanks alle tegenslagen, een volgeling van God.

Hoe kan men thans de boodschap van Jezus’ gelijkenis van het onkruid tussen het koren in praktijk brengen? Wat betekent deze concreet voor het leven van de christenen en voor hun kijk op de wereld waarin zij leven? Het belang van deze boodschap kan men moeilijk overschatten, zo aanzienlijk is zij. In moderne begrippen uitgedrukt, zou men het zo kunnen zeggen: Jezus is hier een echt voorstander van tolerantie, van verdraagzaamheid. Dit houdt in dat hij daarmee een aantal andere mogelijkheden resoluut afwijst. Vanuit de oordeelsgedachte kan men makkelijk het absolutisme verdedigen, het standpunt dat stelt dat er één waarheid is, die ook voor allen verplicht is. Jezus veroordeelt dit resoluut. Alle vormen van waarheidsfanatisme uit de loop der tijden worden hier duidelijk aan de kaak gesteld, denken wij maar aan: de vervolging der eerste christenen, de brandstapels bestemd voor de protestanten, de terechtstelling van Michel Servet in het Genève van Calvijn, enzovoort. Men kan er helaas boeken over volschrijven.
Maar dit is niet alles, het soort tolerantie dat Jezus voorstaat, is aan de andere kant ook niet te verzoenen met levensbeschouwingen die een soort onverschilligheid voorstaan. Wij denken aan relativisme of nihilisme. Het relativisme wil dat alle waarheden evenveel, of even weinig waard zijn. Er is er geen die boven de andere uitsteekt. Het nihilisme leert dat er in het geheel geen waarheid is. Men hoeft er niet naar te zoeken, alles is aanstellerij en leugen. Voor Jezus bestaat er wel degelijk een waarheid, een oriëntatiepunt in de wereld, namelijk het Koninkrijk van God. Maar daar blijkt nu niets van, dat Rijk is verborgen, vermengd. Men kan even goed zonder -, als met God leven. Wij bevinden ons in deze moeilijke, onduidelijke, dubbelzinnige tijd. Wij leven immers vóór het oordeel, en men mag dit eindverdict niet anticiperen. Alle menselijke bewegingen moeten vermengd blijven. Er moet ruimte zijn voor allen. Zelfs voor hen die God bestrijden. Allen, zonder onderscheid, hebben thans evenveel recht van bestaan. Deze vorm van tolerantie, die niet ten onder gaat in algemene onverschilligheid, staat onder meer positief tegenover de erkenning van de Islam door de staatsmacht, of tegenover de erkenning van de Orthodoxe Kerk.
Jezus gebruikt in zijn gelijkenis planten als beeld. Planten, zoals het onkruid en het koren, blijven wat ze zijn. Het hele onderscheid tussen goeden en bozen is daarom erg massief en onproblematisch in de gelijkenis. De werkelijkheid van het dagelijkse leven is echter veel complexer dan dat. Mensen kunnen immers veranderen, altijd weer, niets ligt vast. Daarenboven is ieder mens niet zo maar zwart of wit, men vindt in ieder mens sombere en lichte kanten. In onze gelijkenis kan Jezus op deze dingen niet ingaan. Wij zouden dit wel willen doen, en spreken van een algemeen menselijke solidariteit, die ook te maken heeft met de genoemde tolerantie. Zolang als het oordeel niet gekomen is, is ook niets beslist. Zondaars kunnen ten allen tijde rechtvaardigen worden, maar ook omgekeerd kunnen rechtvaardigen zondaars worden. De toekomst ligt open, de mens is verantwoordelijk voor zijn beslissingen. Er is dus een wezenlijke overeenkomst en solidariteit tussen goeden en bozen. Deze solidariteit geldt ook door het feit dat geen mens volledig slecht of goed is. Men zal eerder moeten spreken van overwegend goed of overwegend slecht. Iedere rechtvaardige begaat ook onrecht, juist zoals iedere zondaar ook rechtvaardige dingen doet. Zelfs de veroordeelde misdadiger in de gevangenis, heeft goede kanten, hij blijft daarin een mens zoals alle andere. Zo zou men wat overtrokken kunnen zeggen dat alle mensen goed zijn, zoals alle mensen eveneens slecht zijn. Redenen genoeg, in ieder geval, om nooit door dat schema van goeden en bozen, uit de hoogte neer te kijken op een ander mens of op een andere groep. Het gaat er niet om de anderen te veroordelen, wel om zelf, als individu en als groep, naar Gods gerechtigheid te streven, aangespoord door het goede in alle anderen. Dit is tolerantie, ook op basis van de solidariteit onder alle mensen. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. Dit alles doet niets af aan het feit dat uiteindelijk alleen het koren zal behouden worden, niet het onkruid.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be