Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

De man met het plukje gras

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Als je jouw stukje paradijs kwijt bent
Genesis 2: Zondeval

Bijbeltekst (NBV)

Genesis 2

1 Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2 Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. 3 God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk. 4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.

De tuin van Eden
In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, 5 groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; 6 wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. 7 Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
8 God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. 9 Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.
10 Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. 11 Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. 12 (Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13 De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14 De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat. 15 God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. 16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17 maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.' 18 God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. 19 Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. 20 De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21 Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. 22 Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. 23 Toen riep de mens uit:

‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.

24 Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
25 Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

Verhaal

Bijbelverhaal voor kinderenWe hebben vanmorgen in de kerk gelezen over het verloren paradijs. Dat is uit Genesis, natuurlijk. Adam en Eva moeten de Tuin van Geluk verlaten. Daar hebben ze elkaar leren kennen, en nu willen ze net iets teveel weten, en moeten door dorens en distels heen.

Nu is verleden week de verkering van mijn vriendin uitgeraakt, ik vind dat wel lekker rustig aan mijn oren, al dat geschetter over hem, maar nu is ze zo ingezakt en lusteloos, dat is ook niks. Ze luistert dus naar de bijbellezing over dorens en distels en teveel willen weten, en ze zegt: "Zie je wel, het paradijs zijn we kwijt, nou, dat weet ik!"
En dominee Geurs zei van achter de lezenaar waar hij stond: "Kinderen, laat mij jullie een verhaal vertellen. Dat over de man met het plukje gras, dat gaat ook over een verloren paradijs! Ik zal jullie uitleggen hoe je een paradijs kunt verliezen. En ook hoe je het terug kunt krijgen, dat is nog veel belangrijker, het staat allemaal in mijn verhaal."

De kinderen bij ons houden van verhalen, dus ze schikten zich al in de luisterhouding, en hij begon: "Lieve kinderen, wat doe je als je iets verliest?"
"Je gaat het zoeken", zei Pascal, "dat is toch logisch!".
"Maar als je niet meer weet wat het was?"
"Hoe bedoelt u", vroeg Pascal.
"Nou, bijvoorbeeld: je hebt een boek dat je niet kent. En dan verlies je het..."
"Ja, dàn wordt het lastig!"zei Pascal, "want je weet misschien niet meer hoe de kaft eruit ziet En je kent ook de titel niet meer!"
"Precies!" zei dominee Geurs. "Groot probleem. Maar wat doe je dan?"
Er viel een stilte, er werd gedacht. "Dan ga je vragen bij degene van wie je dat boek hebt gehad", zei mijn vriendin.
"Juist, Letitia, en misschien kan die je ook helpen zoeken".
"Dat doet ze zeker", zei mijn vriendin.

"Zo was er een man", zei dominee Geurs, "over hem wil ik vertellen, hij leefde in een prachtig huis met een tuin er omheen, en er waren mensen die veel van hem hielden, en hij was heel gelukkig en hij heette Jan. Eigenlijk Johannes, maar die naam vond hij te lang.
Hij hield van zijn tuin. Alle paden in de tuin liepen langs bloemen en prachtige, oude bomen. Jan hield ook van wandelen, hij was er vaak uren lang...
"Maar er was zeker één pad, waar hij niet mocht komen", zei Pascal.
"Hoe weet je dat, jongen?" vroeg dominee Geurs.
"Oh", zei hij, "dat was in het Paradijs ook!"
"Ja, dat is zo", zei hij, "er was inderdaad zo'n paadje, daar kon je beter niet gaan. Niemand deed dat ook, want dan kwam je nooit meer terug. Dat was al eens gebeurd, daar was iedereen erg van geschrokken. Maar Jan wilde precies weten waarom en wat, want zo was hij nu eenmaal, en of nu iedereen zei: Jan dat moet je niet doen, je moet niet alles willen weten, ga nou niet! Maar hij ging toch.

En weten jullie wat toen gebeurde?"
"Er kwam een groot gevaarlijk dik beest", zei dikke Hendrik, "en dat at hem op!"
"Nee, dàt gelukkig niet", zei de dominee, "maar Jan kwam op een veld vol gras en de prachtigste bloemen. Maar ze roken zo vreemd. Hij dacht: Kom, ik ga er wat van plukken, wat zullen ze blij zijn thuis, en dan zien ze dat hier niets aan de hand is!
Jan bukte om te plukken, maar wat gebeurde. Het veld helde naar beneden, en de wortels onder die prachtige bloemen waren glibberig, Jan gleed en hij gleed naar de rand. Hij greep om niet te vallen, maar dat deed hij wel. Hij viel naar beneden, heel diep, en daar was de zee, en hij lag aan de kant van het water. Met een plukje gras in de hand.

Toen hij van zijn duizeling was bekomen, stond hij op. Kop op, Jan, zei hij luid, want anders kon hij zichzelf niet verstaan, want zo luid ruiste de zee, "kop op, we zoeken gewoon even een weg terug!"
Ja, kinderen dat deed hij, met het polletje gras in de hand, maar die weg terug vond hij niet, omdat die er niet was. Overal rezen de rotsen steil omhoog, beklimmen was eenvoudig uitgesloten. Hij probeerde het wel, maar het ging gewoon niet.
Ja, wat nu, zei hij heel luid, want anders kon hij zichzelf niet verstaan, wat doen we?
Hij bouwde een vlot van aangespoeld hout en stukken zeewier die hij als touw gebruikte. En met dat vlot ging hij de zee op, dagen lang, en toen zag hij een eiland. Gelukkig maar, want hij verging van de dorst, en honger had hij ook.

Er woonden veel mensen op dat eiland, en die waren verschrikkelijk druk. Ze verzamelden schelpen en sloegen ze stuk, en ze legden daarvan wegen aan om nog harder op te rennen. En ze verzamelden nog meer schelpen en bouwden er huizen van, en ze maalden ze fijn tussen stenen tot gruis om er verf van te maken. En de slakken en andere dieren uit de schelpen zogen ze eruit en kookten zij, en zo hadden ze verf en ook voedsel. En het stof van de schelpen deden de vrouwen op hun gezicht als het rood was van de zon en het harde werken. En eten, dat deden zij bovenop de molensteen als ze moesten wachten tot die klaar was met malen. Dan zaten ze daarop en draaiden al etend mee rond. Zo gingen ze ook op vakantie, dan zaten ze op andere molenstenen met hun kinderen, dat noemden ze Vakantie Schelpjesfeest.

Zo'n feest was juist aan de gang toen Jan kwam. Ze gaven hem slakjes te eten en water uit een holle schelp, terwijl een orkest dat ook meedraaide schelle melodietjes blies, waar Jan heel triest van werd. Daarna moest hij mee rennen om schelpen te zoeken, want schelpen halen, uitzuigen en malen was alles wat de schelpenklok sloeg.

Jaren leefde Jan op dat eiland, hij kwam er niet weg, hoe graag hij dat ook wilde, want de stroom zoekers en uitzuigers nam hem mee, dag in, schelpendag uit, over de wegen van dat eiland. Núnder heette het. "Een vreselijke naam!!" riep Jan, "oh, hoe kom ik hier weg!"
Maar ze wilden dat hij bleef, dat hij er trouwde en kleine schelpenzuigertjes maakte, hoe meer hoe beter. De dag voor het trouwfeest hadden ze al vastgesteld en een grote molensteen met mooie roze schelpjes belegd.
Toen herinnerde Jan zich het plukje gras van zijn vaderland, van zijn mooie tuin. Hij had het in de schelpenschuur van zijn huisje gelegd, op een plank. Hij kreeg tranen in de ogen, waardoor het gras vochtig werd. Steeds als het verdriet te groot werd, ging hij er uithuilen, en door al dat vocht begonnen er bloemen te groeien. Hij vergoot in zijn heimwee steeds meer tranen, en de bloemen werden zó mooi, dat de hardrenners bleven stilstaan om het wonder te zien. En Jan zelf zag ook een extra wonder: de bewoners van Núnder stonden stil! Dat was nog nooit gebeurd"

"Als je stilstaat, ga je nadenken", zei mijn vriendin, "zo is het altijd!"
"En ze zagen bloemen", zei ik, om ook wat te zeggen, "bij bloemen kan je geweldig goed denken".
"Bloemen", zei dominee Geurs, "herinneren de mensen aan een betere wereld".
"Dominee", zei Marie, "ik zag laatst een oud en vervallen huis, het onkruid groeide uit de stenen. Maar iemand had uit de ramen bakken bloemen gehangen. Toen leek heel dat huis anders, opgefleurd!"
"Echt wat voor een meisje om dat te zeggen", zei Pascal.
"Is dat daar waar ze ijsjes verkopen, door het raam op de hoek?" vroeg dikke Hendrik. "Wat ik had blaadjes van een geranium in mijn ijs!"

"Die man over wie ik vertel, hield het niet meer uit op dat eiland Núnder", zei de dominee. "Ik ga weg hier vandaan", zei hij, "hier kunnen zij niet anders dan schelpen uitzuigen en stampen en malen. Dit is geen leven, ik doe het niet langer!"
"Groot gelijk heeft-ie!" zei Hendrik, "ik zou het ook niet doen!"
"Ik ga terug naar huis!" zei de man, "naar de plek waar de bloemen bloeien!"
"Ja, maar de kust is steil!" zeiden de schelpenzoekers, "dat heb je ons zelf verteld!"
"Alles is beter dan dit", zei de man, "dan sterf ik nog liever beneden tegen de klippen, met de geur van de bloemen in de neus, hier heb je alleen maar kalkstof!"

Dat maakte indruk. Veel schelpenzoekers zeiden: "Man van het plukje gras met de bloemen, wij gaan met je mee om te zien wat dat is, een heel veld vol bloemen! En komen wij niet tegen de klippen op, dan hebben wij aan de geur genoeg!"
"Ik houd van zulke mensen!" zei Marie, "ik begrijp ze!"
"Het probleem was", zei dominee Geurs, "hoe ze van de schelpenmolen af moesten komen, want daar zaten ze op en ze draaiden maar rond".
"Springen natuurlijk, dat is toch simpel", zei Pascal.
"Toch niet", zei Rachel, "heb je wel eens in een mallemolen gezeten? Weet je wat er met je gebeurt als je er plotseling afspringt?"
"Je valt tegen iedereen aan", zei dikke Hendrik, "ik viel tegen een popcornkar, en mijn vader moest het betalen!"
"Juist", zei de dominee, "van de molen springen was simpel, maar weglopen was het niet. Want ze draaiden allemaal kringetjes, zo duizelig waren ze. Toen zei de man met het polletje gras met de bloemen: "We moeten weer leren rechtuit te lopen, recht af op ons doel!"
Nu, kinderen, dat viel niet mee, pas toen merkten de schelpenzoekers en -zuigers dat ze eigenlijk hun leven lang in kringetjes hadden gedraaid. Maar wat wàren ze blij dat dit nu voorbij was!

Ze bouwden een vlot en ze voeren terug...
"Wacht u even, dat kan niet", zei Pascal. " Want alleen die man met het polletje bloemen voer terug, de anderen waren er nog nooit geweest!"
"Ja", zei dikke Hendrik, "als die terug zouden varen kwamen ze weer op het schelpeneiland!"
"Dank je, jongens", zei dominee Geurs, "zo gaat het ook met ons. Wat zeggen jullie. Als wij gaan naar ons vaderland, het Paradijs van God, gaan wij dan heen, of gaan wij terug?"
"Goeie vraag!" zei mijn vriendin, "verhipte goeie vraag!"
"Dat hangt er van af", zei Marie. "Ik ga heen naar een verjaardag, maar ik ga terug naar huis!"
"Ze gaat naar de verjaardag van haar vriendje Pascal, lekker taartjes eten!" zei Hendrik, en smakte met zijn lippen. Iedereen lachte in de kerk, zelfs Marie, die altijd zo ernstig is.
Toen heb ik gezegd met mijn pen in de hand, want ik was dit verhaal al aan het schrijven:

"Ik heb gelezen in een kerstverhaal van Charles Dickens dat een man die aan lager wal was geraakt en op zijn lompenbed lag te sterven, zijn magere armen uitbreidde naar de hemel, en zei: "I am going home!" Ik denk dat iedereen die naar God gaat, als je goed bent of hartstikke slecht, toch naar huis gaat!" "Je gaat immers naar je Vader", zei Marie, "die staat op de uitkijk naar de verloren zoon, dat zegt de Heer immers zelf!"
"Dank jullie wel, kinderen", zei de dominee, "jullie hebben mijn verhaal afgemaakt, en jullie hebben eigenlijk ook al de preek gehouden!"

"Maar hoe liep het af met die mensen", vroeg Hendrik, "konden ze toch tegen die steile klippen op komen? En was er een groot feestmaal, net als bij de verloren zoon?"
"Hij moet ook altijd aan eten denken", zei Pascal.
"Laat hem toch", zei Marie.

"Het verhaal liep goed af", zei dominee Geurs. "Want weten jullie hoe het ging? De hele tocht naar de klippen praatten ze erover hoe steil die waren en hoe hoog. Toen zei de man met het polletje: "Zo moeten jullie niet doen. Want zo worden die klippen steeds hoger en steiler. Ga toch gewoon in vertrouwen daarheen, en je ziet wel hoe het allemaal komt!"
"Dan heb je echt geloof!" zei Marie.
"Ja, Marie, ze hadden geloof maar ze hadden geen kracht meer. Ze waren van het roeien zo moe, zo moe. Ze lieten hun riemen hangen en ze kònden niet meer.

Maar toen viel een zonnestraal op het Land van de Bloemen, en ook op de klippen, die zagen ze ook. En wat gebeurde? Het licht viel op een plek in de rotsen, en ze zagen een trap. Er waren treden uitgehakt in het steile gesteente. Er liep een trap, van beneden naar boven. Maar er was geen kracht om er te komen, ze zàgen het alleen.
"Wij gaan dood met uitzicht op het Strand", zeiden de schelpenzoekers, "al onze moeite is vergeefs, wij moeten het doen met jouw polletje gras en deze paar bloemen".
"Niet waar", zei de man, "je ziet toch die trap? Wij worden verwacht!"

"En toen?" zei er een kind dat nog nooit iets had gezegd, ergens achter vandaan bij het orgel.
"Toen", zei dominee Geurs, "kwam er een golf, en zij spoelden aan zonder enige moeite. Zonder zelfs maar een hand uit te hoeven steken".
"Dat konden ze ook niet", zei dikke Hendrik. "En toen was het feest - toch, dominee?"
"Ja, want de bewoners van dat bloemenland kwamen de trap af, naar beneden, en wie te moe was om te klimmen droegen ze omhoog. En toen ze boven waren zagen ze daar die zee van bloemen, en ze snoven de geur van het Paradijs..
"O, wat zàlig!" zei heel zacht Marie.
"Ja, zalig, en het kalkstof waaide van hun kleren in de zachte wind, het waaide omlaag naar de zee die al dat stof zacht ruisend wegwaste, je vond er geen korreltje meer van..."

Hij keek om zich heen, de dominee, ik zag bij het schrijven dat hij terugkwam in de werkelijkheid. Hij veegde met zijn hand langs zijn ogen. "Het was duidelijk zijn verhaal", zeg ik tegen mijn vriendin. En toen zei hij: "Dit was dus een verhaal van het Paradijs. Hoe je het verliest, en hoe je er terugkomt".

En mijn vriendin kijkt in mijn schrift en ze vraagt: "Sofie. Waarom heb je zo'n dikke komma achter je verhaal gezet? Het is toch uit?"
En ik zei: "Want ik geloof dat er een jongen buiten de kerk staat die jij kent. Met een grote bos bloemen!"

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be