Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 23 van het kerkelijk jaar
Johannes 20,24-29 • Zacharia 13 •
Het verhaal van de zogenaamde ongelovige Tomas is eigenlijk de laatste geschiedenis van het Johannesevangelie. Het oorspronkelijke evangelie eindigde met hoofdstuk 20, en hoofdstuk 21 is duidelijk, in een zeer vroeg stadium, als een extra slot aan het evangelie toegevoegd. Dit betekent dat ons verhaal als laatste stuk van het oorspronkelijke werk, een bijzonder gewicht krijgt. Men sluit een boek niet zo maar met een onbelangrijke tekst af. Het gebeuren met Tomas vindt plaats de zondag na Pasen. De tekst spreekt over na acht dagen, omdat men toen om een week aan te geven, de eerste en de laatste dag meetelde. In het Frans spreekt men nog over dimanche en huit, om te zeggen, volgende week op dezelfde dag, volgende week zondag. Jezus is uit het graf verrezen op de eerste dag der week, de zondag, en die bijzondere zondag is voor de christenen het paasfeest geworden. Dit grootste feest der christenheid heeft dan in omgekeerde zin gemaakt dat iedere zondag een feestdag wordt, eigenlijk een mini Pasen. Pas veel later, in de tijd van keizer Constantijn, toen het christendom staatsgodsdienst werd, is de zondag bovendien rustdag geworden. De christenen hebben zo hun rustdag op zondag, zoals de joden op zaterdag (de sabbat) en de moslims op vrijdag. Dit systeem is typisch voor de drie monotheïstische godsdiensten, en gaat eigenlijk terug op de joodse week. Kortom, de zondag als het wekelijkse kleine paasfeest, is de dag waarop de christenen samenkomen. De zondag is ook de dag waarop de Opgestane op een bijzondere wijze in hun midden is. Hij is dan onzichtbaar present.
Wie is nu eigenlijk die discipel Tomas, waarover wij zo direct niets weten, behalve dat hij ongelovig was? De naam Tomas komt van het Aramees en betekent tweeling. Vertaalt men deze in het Grieks, dan krijgt men Didumos. In het Latijn wordt dat Geminus, het sterrenbeeld tweelingen is immers gemini. Over een echte tweelingbroer of -zuster van Tomas weten wij niets. Men kan zich daarom afvragen of de naam iets te maken heeft met het karakter van zijn drager. De gemini-man verbergt als het ware een tweeling in zich, en is daardoor zeer veranderlijk. Sterker nog, kan men wellicht spreken van een grillig en wispelturig karakter. In Johannes 11,16 roept Tomas de andere discipelen op om naar Jeruzalem te gaan en er met hun Heer te sterven. Maar in 14,5 blijkt dezelfde Tomas niet te weten dat Jezus naar het huis van de Vader gaat, en ook de weg er naartoe kent hij niet. Tomas zou zo voor de evangelist Johannes het type van de twijfelende mens zijn.
Volgens de latere traditie heeft de apostel Tomas het evangelie gebracht naar Parthië (het huidige Iran) en zelfs naar Indië. Tot op vandaag vindt men in India gemeenschappen die zich Tomaschristenen noemen. De apostel is in Edessa, een stad die tot de wereld van het Syrische christendom behoorde (nu in zuid Turkije), gestorven. Verschillende oude geschriften hebben met Tomas te maken, wij noemen er enkele. De zogenaamde Handelingen van Tomas, uit de derde eeuw, beschrijven de daden en de toespraken van de apostel in Indië. Het Griekse evangelie van Tomas, ook wel het kindheidsevangelie genoemd, is het sinds lang bekende evangelie dat allerlei wonderlijke dingen vertelt over het opgroeiende kind Jezus. Het Koptische evangelie van Tomas werd in 1945 te Nag Hammadi in Egypte gevonden, en geeft 114 uitspraken van Jezus. Dit geschrift is zeer belangrijk voor de studie van onze evangeliën. De apostel lijkt erg geliefd te zijn geweest in gnostische middens, zou dit komen door ons verhaal, waarin hij blijk geeft van een verlangen naar kennis aangaande het opstandingslichaam van Jezus? Hij wil zelf de identificatietekens van de Verrezene betasten.
In het Johannesevangelie wordt gesproken over de tekenen in de handen en de zijde van Jezus. Dit is wel opvallend, daar men dit in de andere evangeliën niet vindt. Het dichtst bij Johannes komt Lucas. In 24,39 verschijnt Jezus op de paasdag aan alle discipelen samen, en toont zijn handen en zijn voeten en nodigt hen uit om te betasten. Alhoewel de tekst het niet uitdrukkelijk zegt, zal men hierbij moeten denken aan het aanraken van de littekens die de spijkers van de kruisiging hebben nagelaten. Handen en voeten werden blijkbaar vastgenageld, en niet vastgebonden, wat ook wel kon. Maar Jezus gaat nog verder en eet zelfs een stuk gebakken vis om duidelijk te maken dat hij geen geest is, maar de verrezen Jezus, waarbij er een zekere continuïteit is tussen het oude en het nieuwe lichaam.
In ons evangelie is het anders en gaat het om de handen en de zijde. Over de voeten wordt niet gesproken, alhoewel het vooral zij zijn die aan het kruis werden vastgespijkerd. Dit werd duidelijk toen men in 1968 te Jeruzalem (Givat Hamivtar) in een ossuarium de beenderen van een gekruisigde vond, met een nagel door één der voeten. Bij het afnemen van het kruis had men deze niet meer kunnen uittrekken en hem dan maar laten zitten. Het is wel zo dat Johannes voor de handen uitdrukkelijk over de wonde van de spijkers spreekt. Typisch is vooral dat Johannes het heeft over de wonde in de zijde. Hij alleen vertelt immers (19,34) over de lansstoot om te controleren of Jezus wel helemaal dood is. De littekens in handen en zijde moeten de identiteit bewijzen tussen de gekruisigde Jezus en de Verrezene die daar staat. Het gaat niet om de verschijning van een geest enerzijds, maar ook niet om het optreden van een dubbelganger van de Nazarener anderzijds. Beide mogelijkheden worden uitgesloten en het kan zo enkel gaan om Jezus, opgestaan uit de dood. Hierbij blijkt het opstandingslichaam ergens het midden te houden tussen een lichaam en een geest. Het vertoont de wonden van een gewoon lichaam, en gaat door gesloten deuren als een echte geest.
Ons verhaal zegt niet of Tomas inderdaad de littekens van Jezus heeft betast. Hoe dan ook, de discipel barst uit in de ontboezeming ‘mijn Heer en mijn God’. Het is de vraag hoe men de woorden van deze gevleugelde belijdenis moet verstaan. Met name het woord God, op Jezus toegepast, is onverstaanbaar in een joods kader. Onze lezing uit Zacharia 13 fulmineert tegen de afgoden en de valse profeten en eindigt met de belijdenis dat JHWH de God van het volk is. Hoe zit het dan? Volgens de overlevering werd de evangelist Johannes onder keizer Domitianus die regeerde van 81-96 n.Chr., naar het eiland Patmos verbannen. Tijdens het tweede deel van zijn regering, ging deze keizer hevig te keer tegen joden en christenen. In het jaar 86 eigende hij zich de officiële titels Dominus et Deus (Heer en God) toe, als uitdrukking van zijn keizerlijke waardigheid. Als onze Heer en onze God diende men voortaan Domitianus aan te spreken en aan te schrijven! Hij bestrafte meedogenloos ieder vorm van majesteitsschennis. Wanneer men dit weet, wordt het duidelijk dat ons Tomasverhaal zinspeelt op de gebeurtenissen uit die tijd. Tomas is een belijder die tegen keizer Domitianus getuigt, en voor de opgestane Jezus. De keizer heeft geen recht op de titels Heer en God, alleen Jezus Christus verdient deze. Als men de geschiedenis zo leest, verstaat men dat Tomas eigenlijk meer is dan een historische discipel. Tomas wordt hier vooral het symbool van de niet-joden, die in Jezus zullen geloven. Hij gebruikt begrippen die perfect in de heidense wereld passen, niet in de oorspronkelijk joodse.
Wat betekent de titel Heer (in het Grieks Kurios) die toegekend wordt aan Jezus? Het woordje Heer heeft de zin van heerser, koning. Het is het omgekeerde van slaaf, onderdaan. Bij de voetwassing in Johannes 13 worden deze begrippen onderling verwisseld. Een der oudste christelijke geloofsbelijdenissen luidt Jezus is Heer (zie 1Korintiërs 12,3 en Romeinen 10,9). Deze belijdenis hangt onder meer samen met het doopritueel. Het begrip Heer krijgt vooral zijn inhoud vanuit Jezus’ verrijzenis (zie Romeinen 10,9), en vanuit zijn hemelvaart en zijn wederkomst in heerlijkheid.
In het Nieuwe Testament wordt de titel God, om de genoemde reden, zeer zelden aan Jezus toegekend. Paulus schrijft in een soort hymnische vervoering in Titus 2,13 verwachtende...de verschijning...van onze grote God en Heiland, Christus Jezus. Dit slaat duidelijk op de komende heerlijkheid van de wederkomst. Verder wordt in Hebreeërs 1,8v een psalmcitaat, dat over de koning als God handelde, op Jezus toegepast. Maar in de evangeliën noemt men Jezus nooit God, behalve driemaal bij Johannes. Tweemaal gaat het hierbij over de proloog van het evangelie, het lange gedicht over het Woord. In 1,1b leest men het Woord was God. Aan het slot in 1,18b vindt men niemand heeft ooit God gezien; (de) eniggeboren God, die aan de boezem des Vaders is, die heeft hem doen kennen. Zo luidt de vertaling van de beste handschriften. Deze verzen handelen dus over de preëxistentie van Christus, daar waar Paulus het heeft over de parousie. Dit zijn zo de verste uitersten, waarbij het soms moeilijk is God en Jezus uit elkaar te houden, met name in hymnische uitweidingen. De zin van Tomas is echter gericht tot de Opgestane, aan het einde van Jezus’ aardse optreden. Dit is heel anders, en enkel te verstaan uit een heidens taalgebruik, dat vooral tegen de goddelijke keizer gericht is. De geloofsbelijdenis van Tomas is zo een confessie die past in de mond van heidenen die tot Jezus komen. Men zou zo kunnen spreken van een barbaarse geloofsbelijdenis. Deze belijdenis bevat niet de moeilijk toegankelijke joodse begrippen als profeet, Messias of Christus. Het laatste vers van ons verhaal bevestigt deze uitleg.
Beroemd is het slot over het niet zien en toch geloven. Het woord van Jezus tot Tomas, zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven, is een echte zaligspreking die even diepzinnig is als die van de bergrede. Jezus richt zich, over het hoofd van Tomas en het jodendom heen, tot alle volgende geslachten, tot op onze tijd. Wij hebben getuigen, zoals de apostelen en de evangelisten, wier verklaringen in geschriften zijn vastgelegd. Maar de Opgestane zelf kunnen wij niet zien. Er is een grens in de tijd, aan de verschijningen van de Verrezene. Wij houden zo alléén de verschillende getuigenissen over, om op te vertrouwen, en te komen tot de belijdenis van niet-joden, mijn Heer en mijn God. Dit belijden houdt tevens in het erkennen van Jezus’ opstanding uit de dood en zijn onzichtbare aanwezigheid, met name op de zondag tijdens de samenkomst. De discipel Tomas is hier meer dan discipel. Hij wordt tot apostel en evangelist der heidenen, die tevens hun taalgebruik overneemt.
Tot slot nog een mooie joodse uitspraak, waarin men eveneens de verdiensten van de heidenen die niet gezien hebben en toch geloven, duidelijk maakt. Rabbi Sjimon ben Laqisj (ongeveer 250 n.Chr.) zei: De vreemdeling die zich (tot het jodendom) bekeerd heeft, is dierbaarder dan (het volk) Israël dat bij de berg Sinai stond. Waarom? Indien zij de donder en de bliksem en de bevende bergen en het geschal van de hoorns niet gezien hadden, dan zouden zij de Thora niet aangenomen hebben. Maar deze (proseliet), die niets van dat alles gezien heeft, kwam en vertrouwde zichzelf toe aan de Heilige (God), gezegend zij hij, en nam het Koninkrijk der hemelen op zich. Bestaat er iemand die dierbaarder is dan deze? (Midrasj Tanchuma, ed.Buber, Lech lecha 6, p.63).
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be