Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 6 van het kerkelijk jaar
Lucas 2,40-52 • Psalm 122 •
Deze geschiedenis van de twaalfjarige Jezus in de tempel te Jeruzalem is werkelijk een bijzondere geschiedenis. Wij hebben hier namelijk te doen met het enige verhaal over Jezus’ jeugd in het hele Nieuwe Testament. Eigenlijk weten wij niets over de lange periode tussen zijn geboorte en terugkeer naar het heilige land aan de ene kant, en zijn doop in de Jordaan aan de andere kant. De evangeliën hebben daar geen belangstelling voor, zoals zij ook eerder weinig belangstelling hebben voor de geboorte, die in Marcus en Johannes in het geheel niet voorkomt. Het is belangrijk op deze dingen te letten, want dit houdt in dat het evangelie in wezen te maken heeft met Jezus’ spreken en handelen als volwassene en niet met wonderlijke kinderverhalen. Wonderlijke kinderverhalen, waar men gretig naar luistert, zijn dus duidelijk geen evangelie.
De zogenaamde apocriefe evangeliën, die niet in het Nieuwe Testament werden opgenomen, vertellen wel wonderlijke verhalen over Jezus’ jeugd en willen zo de nieuwsgierigheid van de mensen bevredigen. Het verste gaat daarin het reeds lang bekende Tomasevangelie (niet te verwarren met het Koptische Tomasevangelie dat te Nag Hammadi werd gevonden in 1946). Jezus doet daar zijn eerste wonder als hij vijf jaar oud is. Het is sabbat en het kind kneedt uit zacht leem twaalf mussen. Iemand gaat dit aan Jozef vertellen, en deze berispt zijn zoon en zegt dat dit niet mag op sabbat. Jezus klapt echter in de handen en roept de mussen toe: Weg er mee! En de vogels vliegen weg. Jezus wordt hier een echt circuswonder, dit heeft duidelijk niets meer te maken met het evangelie.
Laat ons proberen dit verhaal over de twaalfjarige Jezus te verstaan. Eerst moeten wij aandacht schenken aan het raam van het geheel. Lucas zegt dat alles gebeurt tijdens het Pesachfeest te Jeruzalem. Pesach is het belangrijkste van de drie pelgrimsfeesten van het volk Israël. Letterlijk vertaald zou men kunnen zeggen dat het gaat om voettochtfeesten. Dit betekent dat men van overal in het land in groepjes naar Jeruzalem trok om daar het feest te vieren in de tempel, de woning van God. Jezus reisde vanuit Nazaret mee, samen met zijn ouders. Over broers of zusters wordt nog niet gesproken. Die groepjes mannen, vrouwen en oudere kinderen, maakten er reeds onderweg een vrolijk gebeuren van. Zij zongen namelijk de bedevaartliederen uit het boek der Psalmen, dat zijn de nummers 120 tot 134. Het bekende Israëlische volkslied Hinne ma tov oe ma najim, dat de broederschap onder de leden van het volk bezingt, is niets anders dan Psalm 133, die deel uitmaakt van deze liederen. Psalm 122, die wij lazen, hoort er ook bij; hij heeft het vooral over de vrede van de heilige stad Jeruzalem. Het Pesachfeest gedenkt de uittocht uit Egypte, het fundamentele moment uit de geschiedenis van Israël. Dit feest duurde een hele week, die men in Jeruzalem doorbracht. Lucas gaat echter nauwelijks op deze dingen in, het gaat hem blijkbaar om een ander aspect van de feestelijkheden.
De plechtigheden in de tempel vielen vooral op de eerste en de laatste dag van Pesach. Wat deden de pelgrims tijdens de vijf tussenliggende dagen? Zij lieten zich in de bijgebouwen van de tempel of in de voorhoven onderrichten door de bekende rabbijnen van die tijd. Het pelgrimsfeest was voor de mensen de gelegenheid om een catechesecursus te volgen, zoals wij dit nu zouden noemen. Dit onderricht gebeurde evenwel niet ex cathedra, maar verliep vooral in discussievorm, zoals de rabbijnen dat gewoon zijn tot op heden. Jeruzalem was het religieuze centrum van het jodendom, niet alleen voor wat de offers in de tempel betreft, maar ook voor het onderricht in religieuze en maatschappelijke zaken. Er waren ten andere ook verschillende rechtbanken ondergebracht in hetzelfde tempelgebouw. Het grote sanhedrin is daarvan het bekendste.
Wat betekent het wanneer Lucas zegt dat Jezus twaalf jaar was? Wij zouden denken, hij heeft de lagere school doorlopen, maar geldt dit ook voor het jodendom van toen? Een van de oude rabbijnse teksten (Misjna Avot 5,21) geeft als volgt een mooi overzicht van het leven van een joodse man:
Wanneer men 5 jaar is, dan is men geschikt voor de Hebreeuwse bijbel; 10... voor de misjna; 13... voor de geboden; 15... voor de talmud; 18... voor de huwelijksbaldakijn; 20... voor het zorgen voor het onderhoud; 30... voor de volle kracht; 40... voor het inzicht; 50... voor het raadgeven; 60... voor de ouderdom; 70... voor het grijsaard zijn; 80... voor de hoge ouderdom; 90... voor het gekromd zijn; 100... dan is het alsof men gestorven is en van de aarde verdwenen
In deze ontwikkelingsgeschiedenis komt twaalf jaar niet voor, maar men moet letten op het getal 13. Op dertienjarige leeftijd is men geschikt voor het houden van alle geboden, de mitswot. In latere tijden zal men spreken van bar mitswa, zoon van het gebod, wanneer een jongen van dertien jaar en één dag, als volwassen man wordt erkend. Op dat ogenblik heeft de jongen reeds van zijn vijfde af bijbel geleerd, en van zijn tiende af misjna, dit wil zeggen de mondelinge leer rond deze Schrift. Op dertienjarige leeftijd kan men dan ook de geboden in alle opzichten verstaan en houden. Men mag de kwaliteiten van dit joodse opvoedingssysteem zeker niet onderschatten. Heden ten dage is het hoogtepunt van de bar mitswa viering het ogenblik waarop de nieuwe meerderjarige jood de Thora leest in de synagoge en vervolgens een toespraak houdt.
Het is waarschijnlijk dat in de tijd van Jezus die leeftijd van dertien jaar en één dag nog geen rol speelde zoals vandaag. Aanvankelijk werkte men voor het erkennen van de meerderjarigheid niet met de leeftijd maar met lichamelijke kenmerken van de jonge mensen. Men was meerderjarig wanneer men tekenen van geslachtsrijpheid vertoonde, dus bij de puberteit, hetgeen voor jongens normaal op dertienjarige leeftijd gebeurde. Het belang van al het gezegde voor het verstaan van ons verhaal kan men zo formuleren. Jezus is op de leeftijd gekomen van de joodse meerderjarigheid, of in ieder geval in de buurt daarvan. Als man moet hij nu zijn eigen verantwoordelijkheid opnemen, tegenover God en de naaste, in het bijzonder door het houden der geboden.
Als het kind meerderjarig wordt betekent dit aan de andere kant dat de verantwoordelijkheid der ouders komt te vervallen. Een vrij oude tekst (Genesis Rabba 63,10) luidt als volgt: Een mens is verantwoordelijk voor (de opvoeding van) zijn zoon tot dertien jaar, van dan af en verder moet hij bidden: Gezegend is Hij (God), die mij bevrijd heeft van het bestraffen van deze. Vanaf dertien jaar is de opvoeding dus duidelijk voltooid en de vader kan opgelucht God daarvoor danken. In ons verhaal zijn Jozef en vooral Maria erg bezorgd over Jezus. Zijn zij overbezorgd? Kunnen of willen zij hem niet loslaten? Kunnen zij geen afstand doen van hun verantwoordelijkheid en gezag? Het zit er allemaal een beetje in. Toch staat er uitdrukkelijk dat Jezus na heel het gebeuren aan zijn ouders onderdanig blijft.
Het hele verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel loopt uit op de eerste zin die Jezus uitspreekt volgens het Lucasevangelie. Dit is niet zomaar een zin; de evangelist wil er duidelijk veel mee zeggen. Nu wordt het belangrijk, want na alle inleidingen en voorspelen van het boekje, treedt Jezus eindelijk zelf in actie en daar gaat het uiteindelijk om. Jezus zegt: Waarom hebt gij naar mij gezocht? Wist gij niet dat ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader?
Het eerste zinnetje is gericht aan het adres van zijn ouders. Jezus wil duidelijk afstand van hen nemen. Hij verzet zich tegen hen, en eist zijn eigen verantwoordelijkheid op. De spanning tussen Jezus en zijn eigen familie die hier zichtbaar wordt, vindt men in het hele evangelie. De breuk tussen beiden bereikt het hoogtepunt wanneer Maria en haar andere kinderen Jezus zot verklaren (Marcus 3,21 en 31v). Kennelijk hebben zij geen oog voor de speciale taak en roeping van hun zoon en broer. Lucas merkt uitdrukkelijk op dat Jozef en Maria de woorden van Jezus niet verstaan. De lezers van het evangelie moeten het beter doen en Jezus wel verstaan. Hij heeft met name een unieke opdracht en dat moet men aanvaarden.
Het speciale van Jezus wordt omschreven met de dingen van mijn Vader. Het woordje Vader slaat op God, dit wordt vooral ook duidelijk wanneer men beseft dat Jezus dit zegt in de tempel, het huis van die Vader. In het jodendom wordt God dikwijls aangeduid als: onze Vader die in de hemelen is. Het onze slaat op het volk Israël als geheel. God is de Vader van het volk Israël, hij heeft een verbond met dat volk gesloten, en zorgt er voor als een vader. De hele Heilige Schrift getuigt hiervan. De toevoeging ‘die in de hemelen is’ moet duidelijk maken dat het niet gaat om een aardse voorvader zoals bijvoorbeeld Abraham. Speciaal is echter dat Jezus zegt mijn en niet onze. Dit zou kunnen wijzen op een bijzondere en exclusieve band met God. Men mag dit echter niet te zwaar laten doorwegen. De oude vromen of chassidim uit de tijd van Jezus drukten zich ook graag zo uit, zeer persoonlijk en individueel. Van sommigen van hen bezitten wij krasse uitspraken, die doorgaans ook aanvaard werden. In onze tijd kan men zelfs in het joodse gebedenboek een gebed vinden dat een bar mitswa moet bidden en waarin de zin voorkomt: En nu, mijn Vader die in de hemelen zijt, hoor naar dit gebed en naar deze bede... (1). De plechtigheid van het meerderjarig worden schept deze persoonlijke band met God als mijn Vader, binnen het bredere geheel van het onze Vader van het hele volk Israël. Dit alles houdt in dat de op het eerste zicht speciale uitspraak van Jezus over mijn Vader, eigenlijk volledig verstaanbaar en verklaarbaar is binnen het jodendom en de plechtigheid van het meerderjarig worden.
Anderzijds in het duidelijk dat Lucas bedoelt te zeggen dat Jezus uniek is en dat het gebeuren in dit verhaal reeds verwijst naar die uniciteit. Jezus zal in het evangelie blijken de profeet en de Messias te zijn, en een dergelijke persoon heeft uiteraard een speciale en eigenlijk unieke relatie tot God. In deze zin wegen de woorden mijn Vader zwaar door. In de kerkgeschiedenis zal later bij de ontwikkeling van de christologie deze uitdrukking, volgens dezelfde logica, nog meer gaan doorwegen.
Voor ons, niet-joodse volgelingen van de Messias Jezus, zou men de boodschap van het verhaal van de twaalfjarige in de tempel als volgt kunnen omschrijven. Omstreeks de tijd van Jezus’ meerderjarig worden, bemerkt men reeds iets van datgene waar het allemaal op uit zal lopen. Het bijzondere optreden van Jezus en zijn speciale relatie tot de God van Israël, zullen maken dat ook wij als volkeren, tot God zullen mogen bidden met de uitdrukking die hij ons leerde: onze Vader die in de hemelen zijt...
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) zie J.H. Hertz (ed.), The authorised Daily Prayer Book, New York 1971, p.1042v. Alle teksten en beschouwingen van de chassidim uit de tijd van Jezus kan men lezen in, Gerard F. Willems, Jezus en de Chassidim van zijn dagen, een godsdiensthistorische ontdekking, Baarn 1996.
Franstalige versie: protestanet.be