Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 17 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Matteüs 8,28-34 • 1Koningen 17,17-24 •
De christelijke Kerk zoals men die thans overal in de wereld vindt, is een gemeenschap die zo goed als uitsluitend uit niet-joden bestaat. Dit feit, dat reeds sinds eeuwen de realiteit is, heeft zeer sterk het hele denken en het hele functioneren van alle kerken bepaald. Hierbij is het duidelijk dat deze heiden-christenen zichzelf als het doel van de Kerk beschouwen, met uitsluiting van alle andere groepen. Hoe werkt nu deze heiden-christelijke ideologie bij het lezen van het Nieuwe Testament? Men gaat er graag van uit dat de joden Jezus verworpen hebben. Eerst doen ze dat in Nazaret, na een tijd volgt heel Galilea, en uiteindelijk verwerpt de hoofdstad Jeruzalem hem. Daartegenover staat dat de paganisten Jezus aanvaarden, wat vooral blijkt uit het boek der Handelingen. Maar reeds in de evangeliën vindt men voortekenen hiervan. Eerst is er het verhaal van de honderdman van Kafarnaüm, en daarna de geschiedenis van de Kananese vrouw (Matteüs 15,21v). Beide heidenen hebben een geloof waarvan Jezus versteld staat. Dit betekent, volgens de gangbare uitleg, dat wij de enige waardige opvolgers van Israël zijn. Wanneer men echter ons verhaal over de twee bezetenen van Gadara goed leest, dan merkt men dat heel deze simplistische uitleg niet opgaat. De weergegeven verklaring is enkel gebaseerd op een apologetisch apriori, dat pretendeert dat wij de goeden zijn.
Het verhaal over de bezetene(n) van Gadara of Gerasa kan men vinden in de drie synoptische evangeliën. Matteüs heeft de kortste versie van de geschiedenis. Ieder van de drie evangelisten heeft door zijn eigen uitwerking van het gebeuren, speciale accenten willen leggen. Het lijdt geen twijfel dat wij hier met het belangrijkste exorcisme te doen hebben dat Jezus verricht heeft. Matteüs vertelt in het geheel over vijf uitdrijvingen van demonen, en dit is het eerste ervan, dat eigenlijk alle volgende reeds bevat. Hoe moet men het verhaal lezen?
Eerst dient de aardrijkskunde aan de orde komen. De stad Gadara ligt een tiental kilometer ten zuidoosten van het meer van Galilea. Jezus is in de buurt van Kafarnaüm, zijn eigenlijke thuishaven, scheep gegaan met zijn discipelen, en hij heeft het meer schuin in de lengte overgestoken. Jezus komt niet in Gadara zelf, hij houdt zich blijkbaar op aan de oever van het meer, in het gebied dat hoort bij deze stad. Wij hebben te maken met een hellenistische stad, dit wil zeggen een plaats met een Griekse cultuur, en met bewoners die overwegend niet-joods zijn. De stad heeft in haar geschiedenis soms wel bij het joodse land behoord, maar telkens weer heeft zij zich vrij weten te maken. In de tijd van Jezus is zij een der leden van het verbond der tien hellenistische steden - de zogenaamde Decapolis - die aan de overkant van het meer liggen. De bond staat niet bepaald vriendelijk tegenover de joden. De Decapolis is in zekere zin, in de geest van Matteüs, het enige niet-joodse gebied waar Jezus geweest is. Dit betekent dat Gadara en zijn omgeving, het symbool worden van het heidendom tegenover Jezus. De grote kudde zwijnen waarover gesproken wordt, maakt dit verder duidelijk. Het zwijn hoort bij de onreine dieren, die niet door het volk Israël gegeten mogen worden. Ook andere volkeren aten geen zwijnenvlees, zoals de oude Egyptenaren, de Sidoniërs, en later de moslims. Aangezien men varkens alleen als voeding voor de mens kan kweken, deed men dit vanzelf in het joodse land niet. Het zou zinloos geweest zijn. Later werd het houden van varkens er zelfs uitdrukkelijk verboden. Men voelt het duidelijk, de streek van Gadara symboliseert het heidendom. Hoe zullen die andere wereld en Jezus, op elkaar reageren?
Wanneer Jezus voet aan wal zet, wordt de weg naar de stad versperd door twee bezetenen. Deze gevaarlijke mannen, die demonen in zich hebben, wonen in de grotten en vooral in de grafkamers, die zij in de rotsen aan de kust vinden. Zij roepen het uit tegen Jezus: Wat hebt gij met ons te maken, zoon van God? Zijt gij hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen? Deze uitroep is een zinspeling op 1Koningen 17,18 een vers uit het verhaal van Elia en de weduwe van Sarefat, dat wij gelezen hebben. Deze verborgen verwijzing is niet toevallig. Elia is namelijk niet alleen de profeet uit het verleden, maar ook de toekomende aankondiger van het einde der tijden. Elia zal weerkeren, en hij wordt dan ook voortdurend met Johannes de Doper en met Jezus in verband gebracht. Ook is Elia, samen met zijn opvolger Elisa, een wonderdoener, en zijn tekenen lijken meestal erg op die van Jezus. Maar in ons verband moet men nog een stap verder gaan. Elia bevindt zich te Sarefat, in Fenicië, dus op heidens gebied. De weduwe van Sarefat is een paganist, en het verhaal gaat over wat de God van Israël met haar gestorven zoon zal doen. Zal zij de vreemde God erkennen, samen met zijn boodschapper de profeet Elia? Dezelfde vraag geldt voor ons Jezusverhaal.
Zoals de andere evangelisten, maakt Matteüs het onderscheid tussen sprekende demonen en stomme demonen. Bij de beide bezetenen hebben wij te doen met sprekende boze geesten. In alle andere gevallen zijn het stomme. Ook dit is niet toevallig. In het joodse land heeft men niets aan de boodschap van bezetenen, men luistert er niet naar demonen, Israël heeft immers de Schriften. In de heidense landen is het getuigenis der boze geesten echter wel waardevol, daar men niets anders heeft. Hun uitspraak bevat de enige kostbare informatie over bovennatuurlijke dingen. Daarbij komt dat het over twee bezetenen gaat (bij Marcus en Lucas slechts één), juist zoals de joodse wet steeds weer twee getuigen eist ter wille van de waarheid. Zo zendt Jezus zelf elders zijn discipelen twee aan twee uit in Israël, als betrouwbare en gevolmachtigde boodschappers. Wat is nu de inhoud van het waardevolle getuigenis der bezetenen? Eerst noemen zij Jezus zoon van God, een aanduiding die bijbels is en tegelijk voor heidenen vrij gangbaar. De mythologie kent veel zonen van goden; deze hebben een intieme band met hun vaders. Dan volgt naar hier gekomen, waarmee zij bedoelen, naar het heidense land. Normaal komt Jezus alleen in het joodse land. Het gebied der paganisten is het domein der demonen, en deze willen hun terrein verdedigen tegen Jezus, de indringer. En dan klinkt het, ons vóór de tijd te pijnigen. De demonen weten van een tijd waarop zij gestraft en gepijnigd zullen worden. Zij bedoelen blijkbaar het oordeel van God aan het einde der tijden. Zij vrezen echter dat Jezus hen reeds nu, vóór dat laatste oordeel, komt bestraffen, en dat nemen ze niet. Jezus’ optreden grijpt vooruit op dat eindoordeel. De demonen willen de baas blijven in de heidense landen tot aan het einde der tijden. Pas dan zullen zij gestraft worden. Nu moet Jezus opkramen, hij heeft niets in het land van Gadara verloren.
Kan men een nog scherpere kijk krijgen op de bezetenheid en op de demonen? Hoe dacht men over deze metafysische dingen in het jodendom van Jezus’ dagen? Kan dit ons helpen om het gebeuren beter te begrijpen? Volgens Deuteronomium 18,11 is het in Israël verboden de doden te raadplegen. Hoe moet men dit verstaan? De talmud preciseert, dit gebeurt wanneer men, terwijl men vast, tussen de graven overnacht, met het doel dat boze geesten bezit van u nemen. De demonen brengen dan de mens in gevaar. De zin van deze uitleg is duidelijk. De demonen wonen onder meer op de begraafplaatsen, en nemen bezit van de mensen die vasten en er overnachten. Dit verklaart hoe het komt dat in het evangelieverhaal de bezetenen in graven wonen. Meer nog, het wordt duidelijk dat in onze geschiedenis, heidens land, bezetenen, demonen en graven verbonden worden tot een logisch en samenhangend geheel. Het vormt allemaal één grote macht, tegen Jezus. Elders in de rabbijnse litteratuur verneemt men dat, in de Messiaanse tijd, de macht van de demonen gebroken zal worden. Men beroept zich hiervoor op Leviticus 26,6 waar staat dat de wilde dieren uit het land zullen uitgeroeid worden. Dit slaat volgens de uitleg op de dagen van de Messias, wanneer God de demonen uit de wereld zal doen verdwijnen. Anderen zeggen, God zal ze niet doen verdwijnen, maar zal maken dat zij tot rust komen en geen schade meer berokkenen. Deze voorstellingen zijn van belang om de betekenis van Jezus’ uitdrijving van de boze geesten te verstaan. Hij doet dit als Messiaanse zoon van God. Men kan in dit geheel ook nog verwijzen naar een plaats bij Flavius Josefus, die vermeldt dat de joden, in navolging van koning Salomo, zeer bedreven zijn in het uitbannen van demonen. Als voorbeeld vertelt hij dat hij een zekere Eleazar aan het werk zag, bij het uitdrijven van verschillende demonen in aanwezigheid van Vespasianus en de zijnen. Er zijn inderdaad meerdere gevallen bekend van joden die boze geesten verdrijven, in aanwezigheid van heidenen (1). Eigenlijk gebeurt dit hier ook zo door Jezus.
Ondanks het protest van de twee bezetenen voltrekt Jezus het exorcisme en de demonen verdwijnen met de kudde zwijnen in het meer van Tiberias. De mannen met de demonische geesten zijn genezen, en Matteüs zegt verder niets meer over hen. Het zijn nu de zwijnenhoeders die, als getuigen van het hele gebeuren, op het toneel verschijnen. Zij gaan alles vertellen in Gadara. En dan komt de belangrijke slotreactie. De hele stad loopt uit, evenwel niet om Jezus juichend in te halen als de grote exorcist en bevrijder, maar om hem aan te sporen hun gebied te verlaten! De heidenen van Gadara wensen niet bevrijd te worden, zij blijven liever de onderdanige dienaren van hun goede oude demonen.
Dit beeld geeft Matteüs van ons, paganisten. Wij willen helemaal niet van Jezus weten. Als heidense Romeinen slaan wij hem straks zelfs aan het kruis, om ervan af te zijn. Jezus wil als Messiaanse zoon Gods ons reeds nu van onze demonen afhelpen, maar wij zetten hem buiten, daar wij liever bij onze boze geesten blijven. Dit geldt ook voor de Kerk. Zij heeft Jezus’ bevrijdende actie geneutraliseerd, door hem vast te leggen in een heilige leer. Jezus wordt geboeid door zijn Kerk. Hoe heten onze moderne demonen eigenlijk? Op welk gebied zijn zij actief?
Men zou in de eerste plaats kunnen denken aan een algemene sfeer van corruptie die eigen is aan onze samenleving. Sinds de witte mars van 20 oktober 1996 te Brussel, als reactie op de zaak Dutroux, wordt dit steeds opnieuw duidelijk. Alle groepen in onze maatschappij hebben hun eigen maffiaregels. Men kan verder denken aan de economische oorlog, die heel scherp zichtbaar wordt sinds de sluiting van Renauld in Vilvoorde. Mensen worden meedogenloos op straat gezet, om elders in lage loon landen met een nieuwe fabriek hogere winsten te boeken. De rechtspraak, als het geweten, de regulator en de controleur van de samenleving, waarop men zou moeten kunnen bouwen, werkt uitermate traag en ondoeltreffend. Op het brede wereldniveau blijken de arme landen steeds armer en de rijke steeds rijker. De kloof tussen beide wordt onoverbrugbaar. Men blijft denken in termen van concurrentie, niet van verantwoordelijkheid voor alle levende mensen. Wij zouden nog heel wat andere dingen kunnen opsommen, maar wij willen afsluiten met het milieu. Lucht, water, aarde, en de producten die de planten- en de dierenwereld voortbrengen, het is allemaal bezoedeld en vervuild door onze onverantwoorde omgang met de natuur. Er is geen respect voor Gods schepping, alles moet alleen ons eigen onmiddellijke voordeel dienen... Dit zijn enkele van onze demonen, de demonen der heidenen. Wij blijven liever bij hen. Jezus de Messias, Jezus de zoon van God, Jezus de exorcist, het kan ons allemaal gestolen worden. Matteüs ziet het scherp, en hij heeft gelijk, wij leven als echte heidense bezetenen.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) De aangehaalde rabbijnse teksten en die van Josefus kan men vinden in het werk van Paul Billerbeck dat hij uitgegeven heeft samen met Hermann Strack, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, München 1922-1961, deel 1 p.492 en deel 4a p.516, 527, 534v.
Franstalige versie: protestanet.be