Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 44 van het kerkelijk jaar.
Genesis 1,20-31 • Matteüs 5,43-48 •
|
UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Verenigde Naties, New York 1948. Preambule. Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld; Artikel 2,1. Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Artikel 3. Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon. Artikel 5. Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Artikel 18. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften. Artikel 19. Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven. Artikel 20,1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering. Artikel 20,2. Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren... Op 10 december 1948 werden de 30 artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties aanvaard. In de preambule wordt er gesproken over barbaarse handelingen, een duidelijke zinspeling op de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog. Tegelijk spreekt de tekst zijn geloof uit in de komst van een wereld, waarin het voor de mens goed zal zijn te leven. De gezamenlijke artikelen vormen geen echte wet, maar zijn veeleer een beginselverklaring, die moreel verplichtend is voor alle mensen. Hierboven hebben wij vooral die artikelen weergegeven die iets te maken hebben met godsdienst en levensovertuiging. Artikel 18 is hierbij van kapitaal belang. |
Zonder overdrijven kan men stellen dat de mensenrechten behoren tot het meest waardevolle dat de wereldgeschiedenis heeft voortgebracht. De uitdrukking rechten van de mens is gangbaar geworden sinds de Franse revolutie van 1789. Onder mensenrechten verstaat men de rechten die de mens als individu toekomen. De mens wordt dan gezien als staande tegenover een gemeenschap (bijvoorbeeld de staat), of tegenover gezagsdragers (bijvoorbeeld de koning). Een onderdeel van de rechten van de mens bestaat in de gewetensvrijheid en de godsdienstvrijheid. Men moet er op letten dat dit ook het recht op openbare eredienst inhoud, het recht op levenswijze en opvoeding volgens de godsdienst, en het recht om dat geloof te verbreiden. En men zou nog andere aspecten kunnen opnoemen.
In het Romeinse rijk hadden de eigen staatsburgers allerlei rechten (onder andere op een proces), die de andere inwoners van het Imperium niet bezaten. Er heerste evenwel een grote mate van godsdienstvrijheid, enkele moeilijkheden met de mysteriegodsdiensten terzijde gelaten. De verplichte keizerverering baarde echter problemen zowel met de joden, die als erkende godsdienst uiteindelijk werden vrijgesteld, als met de christenen. De kerkvaders pleiten dan ook hartstochtelijk voor godsdienstvrijheid, denken wij maar aan Justinus Martyr, Tertullianus, Origenes, Lactantius... De verdrukte verlangt godsdienstvrijheid, maar de machthebber wil zijn privileges doorgaans behouden.
Dit blijkt ook uit de toestand in de Middeleeuwen. De christenheid die dan de macht verworven heeft, wordt gezien als een ondeelbare gemeenschap. Er heerst een starre collectiviteit van kerk, staat en maatschappij. Dit Corpus Christianum (Christelijk Lichaam) geeft eenheid en eenvormigheid aan alles. Dit betekent zeer concreet dat het individu en de mensenrechten ernstig in verdrukking geraken. Als typisch voorbeeld kan men de inquisitie noemen, die in de 13e eeuw opgericht wordt, oorspronkelijk tegen de Katharen.
Het loont de moeite om nu stil te staan bij de Franse revolutie en haar voorgeschiedenis. Men moet daarbij vooral de vraag stellen, vanuit welke achtergrond de rechten van de mens werden opgesteld. Het antwoord is alles behalve eenvoudig.
De beweging waar het allemaal in geworteld zit, is ongetwijfeld de Verlichting. Deze propageert het geloof in de menselijke rede (denken), die aan allen gemeenschappelijk is. De rede zal hoe langer hoe meer het leven van de mensen beheersen, en een natuurlijke wereldorde brengen. De rede, niet de openbaring, is ook de bron van de religie. Er bestaat een Opperwezen dat vereerd moet worden. De Verlichting keert zich evenwel tegen de absolutistische aanspraken van het christendom. De mens is innerlijk goed, en dient de deugd te beoefenen, zo zal hij zich naar de volmaaktheid ontwikkelen. De denkers van de beweging zijn John Locke en vooral Jean Jacques Rousseau, de zonderlinge calvinist. Volgens deze laatste moeten de individuele mensen besluiten een deel van hun rechten aan de samenleving (staat) af te staan. De individuele mens vormt immers de maat van alles. De Verlichting is dus niet atheïstisch, maar deïstisch; als schepper heeft God alles zo gemaakt, dat er geen verbetering nodig is, alles ontplooit zich vanzelf volgens de ingeschapen natuurlijke orde, terwijl God zelf rust.
Een ander stuk van de voorgeschiedenis van de mensenrechten, treft men aan in de Amerikaanse vrijheidsstrijd. De Britse kolonies in Amerika eisen in de 18e eeuw hun zelfstandigheid op. Hun onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776, opgesteld door Thomas Jefferson, gaat uit van de wetten der natuur en de God der natuur. We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights, that among these are life, liberty and the pursuit of happiness. De regeringen worden ingesteld om deze rechten te waarborgen. Later stellen de afzonderlijke staten van de vereniging hun eigen bills of rights op. De eerste is Virginia (1776). Daar luidt het in artikel 1 Dat alle mensen van nature op gelijke wijze vrij en onafhankelijk zijn en zekere onvervreemdbare rechten bezitten...namelijk het genieten van het leven en de vrijheid. En artikel 16 zegt ...alle mensen zijn op gelijke wijze gerechtigd tot de vrije uitoefening van een godsdienst, naar de ingeving van het geweten... Tussen deze twee artikelen staan alle andere rechten, en men zou kunnen zeggen dat alleen de titel ‘rechten van de mens’ boven het geheel nog ontbreekt.
In Frankrijk wordt de Bastille bestormd op 14 juli 1789. Reeds op 26 augustus van dat jaar stemt de Assemblée constituante, als inleiding op de later te maken grondwet van de republiek, de déclaration des droits de l’homme et du citoyen. Typisch is dat in deze titel de mens aan de burger voorafgaat. Dit betekent in feite dat de hele republiek gefundeerd wordt op de individuele mens en zijn rechten. Daar ligt de basis voor alle gezag. De preambule van de 17 artikelen spreekt van natuurlijke, onverjaarbare en onvervreemdbare rechten. En even verder gaat het over heilige rechten die uitgesproken worden in aanwezigheid van het Opperwezen, hopende op zijn zegen en gunst. Hier volgen een paar artikelen. Artikel 1. Les hommes naissent et demeurent libres et égaux en droits... Artikel 2....les droits naturels et imprescriptibles de l’homme...sont: la liberté, la propriété, la sûreté et la résistance à l’oppression. Artikel 10. Nul ne doit être inquiété pour ses opinions, même religieuses, pourvu que leur manifestation ne trouble pas l’ordre public établi par la loi. Artikel 11. La libre communication des pensées et des opinions est un des droits les plus précieux de l’homme... Uitermate merkwaardig is wel dat al deze rechten pas sinds een speciaal decreet uit 1791 uitdrukkelijk ook voor de joden gelden.
Nog een laatste opmerking, en wel over de Franse revolutie en het christendom. Het is juist dat de revolutie hard is opgetreden tegen bepaalde aspecten van de Rooms-katholieke Kerk en haar geestelijkheid. Een hiërarchisch systeem, in de oorspronkelijke betekenis van het woord, valt niet te verzoenen met de principes van de revolutie. Men mag echter anderzijds niet vergeten dat veel priesters positief hebben meegewerkt in de Assemblée constituante. Wat het protestantisme betreft, kan men zeggen dat het een aanzienlijke bijdrage geleverd heeft aan het tot stand komen van de mensenrechten. Men kan een aantal concrete namen noemen. Thomas Jefferson werd na de onafhankelijkheid der Verenigde Staten dominee. We hebben reeds vermeld dat Rousseau een calvinist was, en wel uit Genève. De voorzitter van de Constituante en daarna van de Conventie heette Rabaut Saint Etienne; hij was zelf protestants predikant en zoon van een predikant. Hij werkte onder andere aan artikel 10 over de godsdienstvrijheid. Tijdens het schrikbewind werd hij onthoofd. Een andere voorzitter van de Conventie was Jean Bon Saint Andre, ook hij was dominee.
Hoe staat het nu met de rechten van de mens en de Schriften? De bijbel spreekt over God en het volk Israël, of over God en de kerk, maar bijna nooit over God en de mens in het algemeen. Eigenlijk wordt er alleen over de mens zonder meer gesproken, aan het begin en aan het einde. Het begin is de schepping, en het einde betekent het laatste oordeel... In het eerste Schriftgedeelte dat wij gelezen hebben, hoorden wij dat God de mens schept naar zijn beeld. Dit beeld Gods betekent de adeldom van de mens. Hem komt iets toe van Gods vrijheid en rechten. De tekst heeft het vooral over het heersen van de mens over de levende wezens. In het verhaal van Noach betekent het beeld Gods dan weer, dat het leven van de mens beschermd wordt (Genesis 9,6 zie ook Jakobus 3,9). Toch moet men deze adel van de mens niet zo optimistisch opvatten als de deïsten. Genesis spreekt immers ook over de zondeval. Er is dus goed, maar ook kwaad aan die mens.
Het laatste grote oordeel van God, maakt ernst met dit goed en dit kwaad. De Schrift weet niets van indifferentisme (het maakt niets uit wat de mens doet) of relativisme (alle daden zijn even goed of even slecht). Echter, en hier komt het op aan wanneer men het heeft over mensenrechten, dit laatste oordeel is nog niet gekomen. Zolang het er niet is, blijft alles mogelijk, en zijn er nog geen goede of slechte mensen. Thans is er niets beslist, zie Jezus’ gelijkenis van het onkruid tussen het koren. Daarom moet in het heden ieder mens in vrijheid - alle dwang is uitgesloten - kunnen kiezen tussen de verschillende mogelijkheden die het leven hem biedt. Alle mensen zijn gelijk en evenwaardig. Zij hebben dezelfde rechten. God laat zijn zon over alle mensen opgaan. Hij doet het regenen voor al zijn schepselen. Hij maakt geen onderscheid. Wij hoorden het in Jezus’ bergrede.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be