Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

08 - De verzoeking in de woestijn.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 8 van het kerkelijk jaar
Lucas 4,1-13 • Deuteronomium 8,1-10 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsOm een verhaal goed te verstaan moet men het steeds lezen in zijn samenhang. Ook moet men voldoende aandacht besteden aan het raam rond het verhaal, want ook dat is belangrijk. Dit alles geldt zeker voor de geschiedenis van Jezus’ verzoeking in de woestijn, waar wij nu mee te maken hebben. Aan deze gebeurtenis gaat de doop in de Jordaan vooraf. Daar hoort Jezus de stem uit de hemel die hem zegt dat hij de zoon van God is. Dat betekent de Messiaanse koning van het volk Israël, juist zoals David Gods zoon is en het volk Israël Gods zoon is. De hemelstem geeft hem zijn opdracht, zijn roeping met het oog op een bepaalde taak. Onmiddellijk na deze roeping volgt dan nu de beproeving, zal Jezus deze taak aankunnen? Is hij tegen de moeilijkheden opgewassen? Beschikt hij over het nodige uithoudingsvermogen? Zal hij God trouw kunnen blijven als zijn zoon van de eindtijd? Op al deze vertwijfelde vragen wil het verhaal van de verzoeking een antwoord geven.
Het kader voor het verhaal wordt geboden door de woestijn. Geestelijk gesproken heeft de woestijn een dubbele betekenis, die tot op zekere hoogte aansluit bij het reeds gezegde. De woestijn is de woonplaats van de boze geesten. Zij huizen op de eenzame plaatsen, in de holen en grotten van de rotsen. In de Arabische wereld heten de woestijngeesten de djinns. Daar kan men dus makkelijk satan ontmoeten. Anderzijds is de woestijn ook het vertrekpunt van de Messiaanse vernieuwing. De Messias zal zijn volk in de woestijn verzamelen, om daarna het beloofde land binnen te trekken en de Romeinse bezetter te verjagen. Zo komt het dat de plaats zelf, de woestijn, reeds de vraag oproept wie het zal halen, de duivel of de Messias.
De woestijn waar het om gaat, in het land Israël, is een rotswoestijn. De overlevering heeft het verzoekingsverhaal gelokaliseerd in de woestijn van Juda, een stuk ten westen van Jericho. Thans treft men daar verschillende kloosters aan. In die buurt zou Jezus driemaal verzocht zijn. Wie driemaal kan weerstaan, heeft werkelijk de proef doorstaan. Een keer, of misschien twee, dat zou nog toeval kunnen zijn, maar geen drie keer. Driemaal, dat is iemand die zijn opdracht aankan.

Eerst komt de honger na een periode van veertig dagen vasten. Deze vastentijd van veertig dagen is niet zomaar een toevallig iets. Neen, na veertig dagen moet het grote ogenblik van de ontmoeting met God komen, of hier met Gods tegenvoeter, de duivel. De profeet Elia trekt immers in één ruk van veertig dagen zonder eten naar de Sinai en ontmoet er God. Ook Mozes vast veertig dagen op de berg zelf, en ontvangt pas dan van God de tien woorden. In de tijd van Jezus heeft een gelijkaardige vastenperiode te maken met mystieke oefeningen die moeten toelaten God te aanschouwen en apocalyptische visioenen te krijgen. Wij weten thans door de kleinere stukken tekst van de handschriften van de Dode zee, dat mystiek en apocalyptiek in de joodse wereld van toen heel gangbaar waren. Men kan zo makkelijk verstaan dat Jezus zich voorbereidt op een confrontatie met Gods vijand, door veertig dagen te vasten in de woestijn. De ontmoeting met satan die inderdaad volgt, neemt apocalyptische vormen aan. De tegenstanders vliegen door de ruimte, van de woestijn naar een hoog verheven punt, dan naar Jeruzalem, en tenslotte terug naar de woestijn. Men vindt hetzelfde soort geestelijke ervaringen en verplaatsingen in het boek van de Openbaring. Wij in onze tijd kijken wel even op van deze dingen, maar in de tijd van Jezus was dit gangbaar en echt te begrijpen.
Maar er zit nog meer in die veertig dagen. Het getal is namelijk ook een zinspeling op Israëls verblijf van veertig jaren in de woestijn. Men zou kunnen zeggen dat Jezus op een verkorte tijd dingen meemaakt, die het volk tijdens al die jaren beleefde. Het gedeelte dat wij lazen uit Deuteronomium laat duidelijk zien waar het om gaat. Israël ontvangt de geboden van God, maar de Heer wil weten of het volk ze ook zal houden. Door vernedering en armoede wil God het op de proef stellen, om te weten wat er in het hart van de mensen is. Zullen zij gaan morren? Door armoede en honger gaat hij hen ook opvoeden. Hij geeft het manna om duidelijk te maken dat zij ten volle op hem kunnen rekenen, niet op hun eigen krachten. In de woestijn voedt God Israël op, zoals een vader zijn zoon.
De zoon van God van de doopstem staat voor hetzelfde probleem. Hij heeft honger in de woestijn. Gaat hij tegen God in opstand komen voor brood? De duivel zegt hem dat hij als zoon Gods van een steen brood moet maken. Zoon Gods zijn betekent hier de grootste tovenaar zijn, en die kunst gebruiken in eigen dienst. Jezus weigert echter een dergelijk gebruik van macht, voor eigen comfort en glorie. Jezus wacht op God, zijn Vader, in gehoorzaamheid. Het manna moest het volk in zijn armoede, leren op God alleen te vertrouwen, altijd opnieuw. Het brood uit eigen arbeid is niet belangrijk, wel het manna dat als het ware het gestolde woord Gods is. Daar komt het op aan, altijd weer. De Messias maakt de goede keuze, hij kiest voor de Heer en niet voor zichzelf.

Bij de tweede verzoeking gaat het om alle koninkrijken der aarde. Lucas zegt merkwaardigerwijs niet dat de duivel zijn tegenstander meevoert naar een hoge berg. Hij zegt enkel dat hij Jezus omhoog voert. Men zou kunnen denken hoog in de lucht, of op een wolk. In een modern leven van Jezus dat uitgegeven werd als een stripverhaal, zag ik de beide tegenstanders vanuit de hoogte neerkijken op het keizerlijke Rome, die prachtige stad met haar grote gebouwen en theaters. Ja, dat is het, daar gaat het om. Het Romeinse wereldrijk, de wereldmacht die nooit ten onder zou gaan. Regeren over heel de gekende wereld met nog allerlei rijken erbij. De duivel treedt hier op als de heerser en overste van deze wereld, of deze tijd. Dit geeft een weinig optimistisch beeld van onze maatschappij, satan heerst over de aarde. Elk zelfvoldaan en positief vooruitgangsgeloof bijt hier in het zand. Tegelijk moet men echter in de uitspraak horen dat deze heerschappij niet altijd zo zal blijven duren. Eens komt zeker de regering van God, het zogenaamde Koninkrijk der hemelen. Ondertussen regeert de duivel en hij is blijkbaar bereid al die macht aan Jezus te geven, indien deze hem aanbidt. Jezus moet eerst satan vereren, dit betekent hem erkennen als de echte heer. Als Jezus dat inderdaad doet, dan wordt hij als onderdaan van de duivel, een zoon van satan. De doopstem is dan in zijn tegendeel omgezet.
Jezus antwoordt de verzoeker met het vers Deuteronomium 6,13. Dit vers staat in de Schrift even na het Sjema, het gedeelte dat gaat over de éénheid Gods, en dat men wel de geloofsbelijdenis van het jodendom heeft genoemd. Iedere vrome jood reciteert het Sjema dagelijks ‘s morgens en ‘s avonds. Jezus deed dit ongetwijfeld ook, en dit geeft aan het vers dat hij citeert een heel bijzondere kracht. Het vers hangt samen met de basis van de joodse godsdienst, de éénheid en enigheid Gods. Het vers zegt dat men JHWH zal aanbidden en hem alleen dienen. Jezus antwoordt dus als een getrouwe jood en blijft tegelijk trouw aan zijn doop. Men kan hierbij terugdenken aan gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël waarbij het volk de verkeerde keus deed. In de woestijn ging Israël het gouden kalf vereren en later in het beloofde land bleven de afgoden der Kanaänieten steeds weer de grote verleiding. Deze afgoden garandeerden het comfort en het welzijn van de cultuur. Er bleef niets meer over van de kwetsbaarheid en de armoede in de woestijn. Jezus had ook anders kunnen kiezen, maar hij doet het niet. Hij gaat de strijd met de duivel aan.
Deze confrontatie met de boze gaat Jezus heel wat moeilijkheden geven. De kerkvader Origenes (gestorven in 254) laat de duivel het als volgt zeggen. Is het om mij te bekampen dat gij gekomen zijt en om al degenen die ik nu als onderdanen heb aan mijn macht te ontfutselen? Neen, probeer niet u met mij te meten. Neen, doe die moeite niet, haal u de moeilijkheden van de strijd niet op de hals. Ziehier alles wat ik u vraag: kniel neer aan mijn voeten, aanbid mij en heel het rijk dat mij toebehoort is van u (1).

Dan suizen in een flits de duivel en Jezus door de lucht naar de Heilige Stad. Ze strijken neer op de prachtige tempel van Jeruzalem die Herodes de Grote heeft laten herbouwen. Men moet hierbij waarschijnlijk niet denken aan het dak van het heiligdom, maar aan de bovenrand van een der muren rond de voorhoven. De traditie wijst vandaag naar de zuidoostelijke hoek van de buitenste muur. Men kan de plaats vandaag nog zien en het is het hoogst mogelijke punt vlak boven de begane grond van het Kidrondal, duizelingwekkend. In de tempel wordt satan ineens vromer dan vroom. Hij wordt als een echt biblicistisch christen. Hij gaat met bijbelverzen schermen, daarmee zal hij Jezus zeker klein krijgen. Indien gij Gods zoon zijt, spring dan, er staat immers geschreven dat de engelen u zullen dragen en zacht op de grond neerzetten. Satan citeert hiermee de verzen 11v van Psalm 91.
Wat zou er gebeurd zijn indien Jezus de sprong gewaagd had? Een mogelijkheid is dat hij te pletter zou gestort zijn. De verleider was dan ineens van Jezus af geweest. Het is merkwaardig, maar vele jaren later zal Jakobus, de broer van Jezus en de eerste bisschop van Jeruzalem, bij een tumult van op de tempel naar beneden storten door een duw en sterven. De kerkvader Eusebius van Caesarea (gestorven in 339) vertelt ons dit in zijn Kerkgeschiedenis (*). Een andere mogelijkheid is dat de engelen werkelijk gekomen zouden zijn. Er zou dan een groot wonder hebben plaatsgevonden en dit zou veel sensatie verwekt hebben. Jezus zou makkelijk beroemd geworden zijn. De zoon van God zou dan weer de grote tovenaar zijn, die alles in dienst van zijn persoon stelt. Wij zagen reeds dat Jezus dat juist niet wil.
Jezus antwoordt satan met de woorden van Deuteronomium 6,16 dat is dus een paar verzen verder dan het voorgaande antwoord. Gij zult JHWH uw God niet verzoeken, klinkt het. Als men zelf het vers verder leest, dan merkt men dat het gaat om het op de proef stellen van God, zoals Israël dat deed bij de plaats Massa in de woestijn. Het volk wilde water, want het had niets te drinken. Het dreigde in opstand te komen tegen Mozes en eigenlijk ook tegen God zelf. God gaf hun water, toen Mozes met zijn staf op een rots sloeg. Door dit teken wilde Israël weten of God met hen was of niet, zo verzochten zij God, zo stelden zij hem op de proef. Het vers uit Deuteronomium verbiedt dit te doen. Jezus wil daarom niet springen, en zo God niet uitdagen om in te grijpen. Men mag God niet dwingen iets te doen voor zijn persoonlijk voordeel. Men vraagt van God geen bewijs. Jezus wacht op de Vader en neemt zijn lot niet in eigen handen. Hij zorgt niet voor zijn eigen publiciteit, zoals de duivel hem dat voorstelt. Hij is de ware, dit wil zeggen de gehoorzame, zoon Gods. Hij is de zoon van God van het einde der tijden. De solidaire vervuller van het verhaal van Israël in de woestijn. Daarmee heeft Jezus drie aanvallen van satan, drie verzoekingen, afgeslagen. Hij is echt gereed! Voor Israël en de volkeren is de tijd van de Messias aangebroken.

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Origenes, Preek 30 over het Lucasevangelie, Sources Chrétiennes 87, p.372v. Eusebius van Caesarea, Historia Ecclesiastica, II,23.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be