Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

46 - Geef ons heden ons dagelijks brood.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 46 van het kerkelijk jaar.
Exodus 16,2-5 13b-21 & 31 35 • Matteüs 6,25-34 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsDeze overbekende bede uit het gebed dat Jezus ons leerde, heeft een buitengewoon complexe maar rijke inhoud. Er werd in de loop der tijden zeer veel over het zinnetje geschreven. Wanneer men het leest, dan lijkt het kinderlijk eenvoudig. Maar wanneer men de bede plaatst binnen het geheel der Heilige Schriften, dan ontdekt men pas de diepzinnigheid ervan. Men moet hierbij wel de moderne haast van zich afzetten en de tijd nemen om het allemaal goed tot zich te laten doordringen. Letterlijk uit het Grieks vertaald, luidt de bede zo, Ons brood - het dagelijkse - geeft het ons heden. Als men hierbij alle verklaringen samenneemt, dan zou men kunnen zeggen dat de betekenis van het zinnetje rond drie polen draait. Er is de gewone betekenis voor het heden, nu, er is de diepere betekenis voor de toekomst, en er is in de derde plaats de mysterieuze betekenis in Jezus Christus. Wij willen in deze volgorde bij de drie dimensies stilstaan.

In het gewone leven van iedere dag bidden wij om ons brood. Het woordje brood staat hier eigenlijk voor het meest eenvoudige, het meest elementaire voedsel van de mens. Het woord heeft duidelijk deze betekenis in staande uitdrukkingen. In de gevangenis wordt men geacht te leven op water en brood (vergelijk onder meer Sirach 29,21). Het volk wenste in de Oudheid brood en spelen. De uitdrukking duidt vooral op het voedsel van de arme mens, die zich geen afwisseling met andere, duurdere spijzen, kan veroorloven. God is dan ook iemand die brood geeft aan de hongerigen (Psalm 146,7). Een verhaal dat het nog verduidelijkt, is dat van Jakob die uit het beloofde land moet vluchten na zijn broer bedrogen te hebben. Bij Betel, waar hij de droom met de ladder heeft, doet hij een gelofte. Zo God hem brood te eten geeft op zijn reis, en hem terugbrengt, zal hij JHWH als zijn God aannemen. Jakob is hier de vluchteling, die in angst en nood voor het onbekende, om brood vraagt om te overleven (zie Genesis 28,20). En God zal hem helpen.
Dan is er het woord heden. Het gaat om vandaag, het nodige voor de nood van het ogenblik, het nu. Men denkt hier niet zoals wij plegen te doen, namelijk op langere termijn. Het gaat niet om brood voor een heel jaar of een heel leven. Om de ene dag van vandaag gaat het. De mens staat hier als een dagloner voor God. ‘s Morgens weet hij niet of hij werk zal vinden, en zo brood om te leven. Denken wij maar aan de gelijkenis van de arbeiders van het elfde uur (zie Matteüs 20,7). Voor het joodse volk gaat het om het dagelijkse manna in de woestijn. Wij lazen het in de eerste lezing, iedere dag raapt men voldoende voor die dag, men kan het niet houden tot ‘s anderendaags. Enkel op de zesde dag kan men, als bij wonder, het bewaren voor de sabbat. Daarbij is het de bedoeling van God zijn volk op de proef te stellen. Zal het hem gehoorzamen? Iedere dag naar hem luisteren? Iets dergelijk leest men ook in Deuteronomium 8,3 dat handelt over armoede, honger en manna, teneinde Israël op de proef te stellen. In dezelfde geest denken de oude rabbijnen na over deze dingen. Rabbi Eleazar uit Modeïm (gestorven 135 n.Chr.) zegt dat eenieder die het nodige voedsel voor vandaag heeft, en vraagt wat hij morgen zal eten, een kleingelovige is (Mechilta bij Exodus 16,4). Hij baseert zich hiervoor op het mannaverhaal. En rabbi Sjimon ben Jochai (ongeveer 150 n.Chr.) weet hierbij een gelijkenis te vertellen. Een koning van vlees en bloed had een zoon. Hij voorzag deze éénmaal per jaar van het nodige voedsel, zodat de zoon slechts éénmaal per jaar zijn vader bezocht. Daarop voorzag hij hem iedere dag van het nodige voedsel, met het gevolg dat de zoon iedere dag zijn opwachting kwam maken (Babylonische talmud, Joma 76a boven). Zo ook wil God het hebben van Israël.
En dan zijn er de woorden geef ons, van de bede. Deze woorden zijn krachtig en scherp. De bidder weet zich geheel en radicaal op God aangewezen. Voor het leven nu, is hij geheel van God afhankelijk. Hij spreekt in het geheel niet over zijn werk, zijn inspanningen en zijn verdiensten, die het brood zouden moeten leveren. Wij zouden dit uiteraard wel doen. Deze mens weet zich voor God een bedelaar zoals de arme Lazarus. De mens die een zelfzekere planning maakt op langere termijn, wordt ontmaskerd als afgodendienaar en sterft; wij kennen de gelijkenis van de rijke dwaas uit Lucas 12. In zijn boekje over het Onze Vader (§ 18-21) verbindt de kerkvader Cyprianus (onthoofd in 258) terecht onze bede met de hele context van Jezus’ gebed, in de bergrede van Matteüs. Wij hoorden het in onze tweede lezing. Maakt u niet bezorgd voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen zorgen. Maakt u niet bezorgd over uw eten en drinken. Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u erbij gegeven worden. Wanneer men het Koninkrijk Gods werkelijk verwacht, dan wil men niet deze wereld verlengen, en werkt men niet op lange termijn.

Met de betekenis voor de toekomst ligt het niet zo makkelijk in onze bede. Alle problemen draaien hier rond het woord dagelijks, dat wij nog niet besproken hebben. In het Grieks staat er epiousios en de moeilijkheid bestaat hierin dat men eigenlijk niet weet wat dit woord betekent. De uitdrukking komt praktisch niet voor buiten het Onze Vader. Reeds sinds de Oude Kerk en tot vandaag toe is er een strijd over de betekenis. Globaal kan men twee richtingen onderscheiden in de uitleg. De eerste richting zegt dat epiousios dagelijks betekent, en zo vertaalt men het ook in de kerken. Het dagelijks brood is het gewone brood van iedere dag, dat men nodig heeft om te overleven, en de aanduiding dagelijks accentueert extra wat wij hebben gezegd over het heden. De tweede richting in de uitleg, gaat terug op de meest geleerde kerkvader van het westen, Hieronymus (gestorven 420). Hij zegt dat hij in het Hebreeër evangelie - een geschrift dat helaas verloren gegaan is - voor onze uitdrukking gelezen heeft machar wat van morgen betekent, zodat de zin van de bede dan wordt: ons brood van morgen, dit wil zeggen ons toekomstig brood, geef het ons vandaag. Het Hebreeuwse of Aramese woord machar, mechar, betekent inderdaad morgen. Hoe moet dit nu verstaan worden? Het brood van morgen wil men al vandaag, is dit niet het toppunt van hebzucht en egoïsme? Men wil meer dan de dagelijkse behoefte, men vraagt al het deel van morgen! Neen, zo mag men het niet begrijpen. De uitleg van Hieronymus bedoelt iets heel anders en opent een geheel nieuw perspectief.
De nieuwe dimensie die in de bede klinkt heeft te maken met het Koninkrijk van God, dat komende is. En bij dat Koninkrijk hoort de overvloed van de grote feestmaaltijd van het einde der tijden. Men kan ook spreken over de Messiaanse maaltijd, alhoewel deze aanduiding nog een ander nieuw element invoert. Het aanbrekende Koningschap van God en het gekomen zijn van het einde, speelt een centrale rol in heel Jezus’ optreden en verkondiging. Het thema klinkt duidelijk in de prediking van Johannes de Doper en in de aanvangsboodschap van Jezus. Men voelt in de bede de ellende, honger en armoede van deze tijd zo scherp aan, omdat de overvloed Gods voor de deur staat. Morgen komt het grote banket van het einde. Vandaag vraagt men echter al een stukje daarvan. Niet uit gulzigheid of hebzucht, maar als een voorproefje, een voorsmaak. Tegelijk biedt dat stukje ook een zekere waarborg voor de deelname aan het feest. Men mag er dan bijhoren. Dit alles hangt samen met de sterke spanning van het begin van het gebed, Uw Koningschap kome.
Wij hebben het gehad over het manna van Israël in de woestijn. Ook bij het manna, dat dagelijkse hemelse brood, speelt de toekomst een rol. In de Syrische Baruch (of 2Baruch 29,8) kan men lezen over de grote vruchtbaarheid van de Messiaanse tijd. En dan zegt men dat in die tijd opnieuw het manna zal vallen, en men zal ervan eten, want het zal het einde der tijden zijn. Ook bij de oude rabbijnen is deze gedachte vrij gangbaar. Nadat er gezegd is dat Israël op sabbat het manna niet zal vinden, maar wel morgen (machar), verwoordt rabbi Elazar Chisma (ongeveer 110 n.Chr.) zijn interpretatie als volgt: In deze wereld zult gij het (manna) niet vinden, maar in de komende wereld zult gij het (manna) wel vinden (Mechilta bij Exodus 16,25). Het manna behoort inderdaad tot het verleden van Israël, en is nu niet meer te zien, maar in het komende Koninkrijk van God wordt het opnieuw werkelijkheid.
Dit toekomend aspect van de bede van het Onze Vader wordt ten dele realiteit in het optreden van Jezus. Denken wij maar aan de overvloed bij de vermenigvuldiging der broden en der vissen. In Jezus’ gelijkenissen over feestmaaltijden gaat het eigenlijk over het einde der tijden. Hij verzekert aan zijn discipelen dat zij zullen eten en drinken aan zijn tafel in zijn Koninkrijk (Lucas 22,30). Het gaat hier steeds weer om de voorsmaak van de voltooiing van alle dingen.

Wanneer wij nu tot slot de betekenis van de broodbede willen bekijken in Jezus Christus, dan moet men vooraf een scherpe opmerking maken. In het Onze Vader noemt Jezus nooit zichzelf. Hij leert nergens dat men tot hem zou moeten bidden, of iets van dien aard. Het standaard gebed der christenen is geheel en al op God zelf gericht. Jezus blijft zo in de evangeliën een bescheiden figuur, die eerst en vooral naar God verwijst. Na Jezus, zijn de discipelen en volgelingen echter verder gaan denken. Zij zijn onder de indruk gekomen van het feit dat iets van Jezus’ gebed duidelijk wordt in zijn eigen optreden, wij hebben daar reeds de aandacht op gevestigd, maar dit geldt in het bijzonder voor zijn dood en verrijzenis. Jezus wordt zo gaandeweg geïdentificeerd met het Rijk Gods. Het hele Rijk is in hem geconcentreerd. Hij verwerkelijkt het Koninkrijk en het voedsel dat erbij hoort.
Het is met name het vierde evangelie dat hierin het verste is gegaan. Alles zit daar als het ware in Jezus zelf. Na de wonderbare spijziging aan het begin van Johannes 6, vraagt de schare hem: Heer, geef ons altijd dit hemelse brood (vers 34v). En dan klinkt het antwoord: Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt zal nimmermeer hongeren... Voor de goede verstaander handelt later het einde van het hoofdstuk (verzen 52-58) over de eucharistie. Wat betekent dit nu voor het brood en de broodbede? Allereerst zal men moeten zeggen dat het brood van het Heilig Avondmaal verband houdt met de grote feestmaaltijd in het Rijk Gods; het brood dat uitgedeeld wordt is er een voorsmaak van. Wij hoorden deze gedachten reeds toen wij het hadden over de toekomst. In de tweede plaats zal men nu echter ook verder moeten gaan en zeggen dat datzelfde brood van de eucharistie, het lichaam van Christus is. Hij heeft zich in de dood gegeven en zich zo als het ware gebonden aan het brood. Door en in Jezus, komt het Koninkrijk Gods. In alle liturgieën van de Oude Kerk bidt men dan ook zeer terecht het Onze Vader vlak vóór of na het breken van het brood van de eucharistie. Geef ons heden het brood van morgen, slaat mede op deze kerkelijke viering. De eerste christenen hebben oog gehad voor een diepe bijbelse realiteit.

Laten wij met het Onze Vader steeds bidden voor het drievoudige voedsel:

  • het dagelijks brood, zolang wij nog wachten moeten
  • de voorsmaak van de feestmaaltijd in het Koninkrijk Gods, zolang dat er nog niet is
  • het lichaam van Christus, onze Heer, zolang de Kerk onderweg het Avondmaal viert.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be