Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 40 van het kerkelijk jaar
Jesaja 2,1-5 4,2-6 • Johannes 4,4-26 •
Onze lezing uit de profeet Jesaja over het komende vrederijk, behoort zeker tot één der mooiste gedeelten uit de Heilige Schriften. De gebruikte beelden zijn zo fascinerend dat zij de lezer nooit meer loslaten. Die beelden wekken een geweldige hoop en een onuitblusbare verwachting. Eigenlijk drukken zij de zin van alle dingen uit, en dat is geen kleinigheid. Het wordt duidelijk dat de wereld niet doelloos rondtolt. Bij ons moderne levensgevoel hoort juist het besef dat het allemaal geen zin heeft, en een gewaarwording van moedeloosheid maakt zich makkelijk van de hedendaagse mens meester. Hier wordt zonneklaar dat de bestaansreden van de wereld komende is, in de toekomst ligt. De zin ligt niet in het verleden, het voorbije, dat achter ons ligt. De zin zit ook niet in het heden, in al die dingen die ons dagelijks bezighouden en omringen. De betekenis der dingen is nog niet present, wat maakt dat het heden mysterieus en eigenlijk onontcijferbaar is. Deze wetenschap stemt echter niet tot moedeloosheid en zwaarmoedigheid. Alles is immers wel doelgericht. Wij leven naar het doel toe, in die toekomst zullen wij de ontsluiering van alle mysteries beleven.
Het schitterende stuk van de profeet Jesaja vindt men ook bij de profeet Micha in 4,1-3. Jesaja en Micha waren tijdgenoten. Zij leefden beiden in de tweede helft van de achtste eeuw voor onze tijdrekening, in Juda. De grote bedreiging voor alle staten in de buurt was toen het opkomende Assyrische rijk. Misschien ligt achter de twee profeten een oudere gemeenschappelijke bron voor het gedeelte dat ons bezighoudt. Hoe dan ook, het gaat bij Jesaja’s komende vrederijk om drie verschillende dingen.
Eerst heeft de profeet het over Jeruzalem en Israël. Om het allemaal duidelijk te maken begint hij met de berg des Heren. Het is de berg van God, de berg Sion. Op zichzelf is deze berg niet zo hoog, in ieder geval niet uitzonderlijk. Hij zal evenwel in de toekomst, als men de tekst scherp vertaalt, bovenop de andere bergen geplaatst worden, zodat de Sion het hoogste punt der aarde zal worden. Die berg van God zal van overal zichtbaar zijn, en alles zal zich naar hem oriënteren... In de oude Griekse mythologie kent men de berg Olympus. Deze ligt op de grens met Macedonië en is met zijn 2900 m de hoogste berg van Griekenland. Op die berg woont de oppergod Zeus, met zijn familie en verwanten. Maar de macht van de olympische goden over de wereld, wordt bestreden door Gaia, moeder aarde. Zij stuurt haar zonen de giganten, of reuzen, om de Olympus te bestormen. De giganten stapelen bergen op elkaar en vormen zo een trap om op de godenberg te geraken. De grootste strijd uit de mythologie, tussen de olympiërs en de giganten - die overigens prachtig afgebeeld staat op het grote altaar van Pergamum (Berlijn) - wordt, dank zij de hulp van Herakles, in het voordeel van Zeus en zijn Olympus beslecht. Bij de profeet Jesaja is er geen sprake van tegenstanders van God. Dit wil niet zeggen dat zij er niet zijn, wel integendeel, maar zij zijn niet evenwaardig aan JHWH. Zij hebben niet dezelfde rang als hij. Eer men het weet, zijn zij overwonnen en verdwenen. De God van Israël is in wezen onvergelijkbaar.
Op die berg van God, ligt een stad, Jeruzalem. Deze stad is de hoofdstad van het volk Israël, dat hier Jakob genoemd wordt, met de naam van de laatste aartsvader. Israël en Jeruzalem zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. David verovert de plaats zonder bloedvergieten op de Jebusieten en maakt er zijn hoofdstad van. Zoals David steeds in de joodse geschiedenis een ideaal blijft, zo ook Jeruzalem. Dit betekent overigens helemaal niet dat zij zonder fouten zouden zijn. De profeet Jesaja ziet, in het gedeelte dat wij gelezen hebben uit hoofdstuk 4, eerst het oordeel over de stad. Men moet hierbij wellicht aan de legers van Assyrië denken. Maar daarna volgt het heil voor dezelfde plaats. God zal ze heel bijzonder beschermen. De baldakijn (of beschutting) aan het einde van vers 5 zinspeelt waarschijnlijk op Gods huwelijk met het volk van Jeruzalem; het is een ware verbondssluiting. Overigens stamt de profeet Jesaja waarschijnlijk uit Jeruzalem, wat kan blijken uit zijn tempelvisioen in hoofdstuk 6.
In de stad Jeruzalem staat de tempel van God centraal, niet het koninklijk paleis, zoals wij zouden verwachten. De tempel wordt steeds het huis of de woning van JHWH genoemd. Het is dus God zelf die helemaal in het centrum staat, aan het einde der tijden, hoog verheven op de top van de Sion. Over een Messias wordt niet gesproken. Het wonen van God in Jeruzalem is ouder dan koning David. Voor zover wij weten begint het allemaal met de mysterieuze Melchisedek, koning en hogepriester van Salem. Later komt de tempel van Salomo. Na de ballingschap gevolgd door die van Zerubbabel, die achteraf door Herodes de Grote uitgebouwd wordt. Ook deze wordt verwoest, maar aan het einde der tijden komt het huis van God terug; de gebeden der synagoge spreken erover.
De profeet Jesaja heeft het in zijn schitterend stuk behalve over Jakob ook over de heidense volkeren. Dit kan verwonderen, wanneer men gewoon is rechtlijnig te redeneren. Men zou kunnen denken dat alle niet-joodse volkeren uitgesloten worden. Wanneer men Jeruzalem in het centrum plaatst, dan betekent dit de uitsluiting van andere steden. Op godsdienstig vlak worden uitgerangeerd: Rome, Constantinopel (Istanbul), Canterbury, Genève... Op politiek vlak worden gedeclasseerd: New York, Moskou, Peking, Parijs, Berlijn, Brussel... Alle namen die ons leven zozeer bepalen, worden hier onttroond. Het grote en het machtige verdwijnt en maakt plaats voor het kleine en onaanzienlijke, dat verheven wordt. Het kleine Israël en zijn provinciestad Jeruzalem komen in het brandpunt te staan!
Toch betekent dit niet dat wij te maken zouden hebben met exclusivisme of eng nationalisme van de kant van Israël. Het kenmerkende van de passage van Jesaja is nu juist dat alle volken (Hebreeuws gojim) naar het huis van God toestromen. Zij verleggen als het ware hun aandacht. Niet meer hun eigen grootheid interesseert hen, maar wel de God van Israël. Zij zeggen het dan ook onder elkaar, komt, laten wij opgaan...opdat hij ons lere... Deze actie van de heidenen is zo sterk dat er over het joodse volk eigenlijk niet eens gesproken wordt. Enkel het laatste vers voegt er vergoelijkend aan toe, huis van Jakob, komt, laten wij wandelen... In onze lezing uit het Nieuwe Testament hoorden wij in wezen hetzelfde. Enerzijds is het heil uit de joden, maar aan de andere kant is dit heil ook bestemd voor de Samaritanen en voor alle mensen. De uitverkiezing door God van één enkel volk, heeft in de Schrift als tegenhanger het universele heil voor allen. Het een sluit het ander niet uit. Zij horen integendeel bij elkaar. Dit is het eigenaardige van de bijbelse gedachtenstructuur. Het gaat niet rechtlijnig om het een of het ander, zoals wij dat zo dikwijls stellen. Wij denken exclusief en brengen daarmee scheiding, verdeeldheid en vijandschap onder de mensen. Hier komen allen aan hun trekken, maar ieder op een eigen specifieke wijze. Via Israël, alle volkeren. Men hoort het reeds bij de aartsvader Abraham, in u zullen alle volkeren der aarde gezegend worden. Door zich aan zijn verbondsvolk als de trouwe en vergevende te betuigen, openbaart God zich aan alle volkeren der aarde en maakt hen als het ware jaloers. De heidenen willen ook bij die God horen. De onvergelijkbare Mozes merkt het op als hij voor God staat, en doet JHWH van idee veranderen, indien gij uw volk als straf verdelgt, wat zullen de heidenen dan over u denken?
De hele beschrijving van het pakkende tafereel van Jesaja loopt uit op de vrede van allen. Jeruzalem is zowel in de joodse als in de christelijke traditie steeds de stad van de vrede geweest. Etymologisch ligt het allemaal erg onzeker, maar misschien ging het oorspronkelijk om uru-salim, wat stad van de vrede zou betekenen. De naam Salem uit het verhaal van Melchisedek zou eveneens vrede betekenen. Jeruzalem is duidelijk geen stad van meedogenloze overheersing en dictatuur, wel een haven van harmonie en rust.
In stad en tempel staat het doen van God zelf centraal. God geeft onderricht (Hebreeuws thora); dit onderwijs is de inhoud van zijn woorden. Het onderricht omvat niet alleen meer algemene wetsregels, maar ook praktische raad over wat er gedaan moet worden in concrete situaties. Men zou dit laatste enigszins kunnen aanduiden met het begrip orakelspreuken. Dit betekent dat de afstand tussen de wet en de toepassing der wetten, door Gods eigen doen overbrugd wordt. In onze samenleving worden er door de wetgevende macht, het parlement, massa’s wetten geproduceerd. Maar hoe, en of, deze teksten ooit in de praktijk zullen functioneren, blijft altijd weer de vraag. Hier zorgt God tegelijk voor de wet en voor haar toepassing. De volkeren volgen zo vanzelf de wegen Gods. De tekst van Jesaja wordt nog explicieter en zegt zelfs dat God recht zal spreken tussen volk en volk. God is het dus allemaal, de drijvende kracht bij uitstek, wetgever, practicus en rechter. Daardoor werkt het ook optimaal.
Hoe reageren de volkeren op dit alles? De hele activiteit van God op de Sion, deze levende thora in de breedste zin van het woord, heeft tot gevolg dat geweld en oorlog zinloos worden. Men weet eigenlijk niet goed wat men leest, maar de tekst zegt dat de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen, en de speren tot snoeimessen. De soldaten worden allemaal boeren. Ook wordt de oorlog niet meer geleerd. Er ontstaat dus op aarde, onder de volkeren, een spontane en oprechte vrede. Geen opgelegde vrede, gebaseerd op militair overwicht. Neen, vrede geworteld in recht. Er heerst geen vijandschap meer, daar iedereen aan zijn trekken komt. Ieder krijgt zijn recht en is daarmee tevreden. Het is allemaal als in een droom! Voor ons betekent het ondertussen dat militarisme nooit het laatste woord kan zijn. Waarschijnlijk zijn oorlogen onvermijdelijk of zelfs noodzakelijk in deze bedeling. De uitbarstingen verminderen tijdelijk de spanningen, maar roepen even later weer nieuw geweld op. Geweld baart geweld, tot in het oneindige. Oorlogen blijven een kwaad dat ons eraan moet herinneren dat wij er nog niet zijn. Wij volgen immers de thora van God niet... Het is onze plicht om steeds kritisch te blijven tegenover onze samenleving en ons te oriënteren op het beeld van de profeet Jesaja. Daar moet het naartoe, zover zal het eens komen. Wij hebben de belofte ontvangen.
Tenslotte willen wij een gedachte van de oude rabbijnen aanhalen (Misjna, Sjabbat 6,4). Zij zijn de mening toegedaan dat men op sabbat geen wapens mag dragen, zoals een zwaard, een boog, een schild, een spies, een speer. Wie het toch doet, moet een zondeoffer brengen. De rabbijnen funderen hun zienswijze op ons gedeelte uit Jesaja. Zij bedoelen daarmee dat de sabbat ten diepste een verwijzing naar -, en een voorsmaak van, het einde der tijden en het Koninkrijk van God inhoudt. Dan zal er ware vrede heersen.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be