Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Tegen leugenaars en opscheppers
Exodus 20: Niet liegen & Numerie 17: Staf die bloeide
Exodus 20
1 Toen sprak God deze woorden:
2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
3 Vereer naast mij geen andere goden.
4 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
7 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 10 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
12 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
13 Pleeg geen moord.
14 Pleeg geen overspel.
15 Steel niet.
16 Leg over een ander geen vals getuigenis af.
17 Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.'
18 Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.' 20 Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.' 21 En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.
22 De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 23 Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 24 Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 25 Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 26 En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.'
Numeri 17
1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Beveel Eleazar, de zoon van de priester Aäron, de vuurbakken uit de as te halen, en gooi de gloeiende kolen eruit, ver weg, want ze zijn heilig. 3 De vuurbakken van de mannen die hun zonde met de dood hebben moeten bekopen zijn de HEER aangeboden, en daarom zijn ze heilig. Sla er platen van en bekleed daarmee het altaar. Zo zullen ze de Israëlieten als waarschuwing dienen.' 4-5 De priester Eleazar pakte de bronzen vuurbakken waarmee door hen die door de vlam gedood waren een offer was gebracht; ze werden geplet en met de platen werd het altaar bekleed; zo had de HEER het bij monde van Mozes aan Eleazar opgedragen. Deze platen moeten de Israëlieten eraan herinneren dat een onbevoegde, iemand die niet van Aäron afstamt, niet in de nabijheid van de HEER mag komen om hem een reukoffer te brengen; zo iemand zal het vergaan als Korach en zijn aanhangers. [4-5] 5
6 De volgende dag echter beklaagden alle Israëlieten zich bij Mozes en Aäron. ‘U hebt het volk van de HEER gedood,' zeiden ze. 7 Toen ze tegen Mozes en Aäron te hoop liepen en naar de ontmoetingstent keken, zagen ze hoe die overdekt werd door de wolk en hoe de majesteit van de HEER verscheen. 8 Nadat Mozes en Aäron naar de ontmoetingstent waren gegaan, 9 zei de HEER tegen Mozes: 10 ‘Ga weg bij dit volk, dan zal ik het in een oogwenk vernietigen.' Toen wierpen zij zich ter aarde, 11 en Mozes zei tegen Aäron: ‘Neem een vuurbak, doe er gloeiende kolen van het altaar in, leg daar reukwerk op en ga zo snel mogelijk naar het volk. Bewerk verzoening voor hen, want de toorn van de HEER is ontbrand, de plaag is al begonnen.' 12 Aäron deed wat Mozes had gezegd en haastte zich naar het volk. De plaag was al onder hen uitgebroken. Hij legde reukwerk op de gloeiende kolen en bewerkte zo verzoening voor het volk. 13 Hij ging tussen de doden en hen die nog leefden staan, en de plaag hield op. 14 Aan veertienduizend zevenhonderd mensen had de plaag het leven gekost, nog afgezien van degenen die door het voorval met Korach omgekomen waren. 15 Nadat de plaag uitgewoed was, ging Aäron terug naar Mozes, die zich bij de ingang van de ontmoetingstent bevond.
16 De HEER zei tegen Mozes: 17-18 ‘Vraag aan het hoofd van elk van de Israëlitische stammen om je een staf te geven, twaalf staven bij elkaar: voor elk stamhoofd moet er een staf zijn. Schrijf ieders naam op zijn staf. Op die van Levi moet je Aärons naam schrijven. [17-18] 18 19 Leg alle staven in de ontmoetingstent, voor de verbondstekst, waar ik altijd bij jullie kom. 20 De staf van de man die ik uitkies, zal gaan bloeien. Zo zal ik dat voortdurende geklaag van de Israëlieten tegen jullie doen verstommen.' 21 Nadat Mozes dit aan de Israëlieten had overgebracht, gaf ieder van de stamhoofden hem een staf, twaalf bij elkaar; daaronder was er ook een voor Aäron. 22 Mozes legde de staven voor de HEER, in de tent met de verbondstekst. 23 Toen hij de volgende dag de verbondstent binnenging, zag hij dat de staf van Aäron, de staf van de stam Levi, in bloei stond. Er waren knoppen ontsproten en bloemen ontloken, en de staf droeg rijpe amandelen. 24 Mozes nam de staven uit het heiligdom van de HEER en ging ermee naar buiten. Nadat de Israëlieten gezien hadden wat er gebeurd was, nam ieder zijn eigen staf terug. 25 ‘De staf van Aäron moet je voor de verbondstekst terugleggen,' zei de HEER tegen Mozes. ‘Die moet worden bewaard als waarschuwing voor dat opstandige volk. Er moet een eind komen aan hun geklaag tegen mij, anders zullen ze sterven.' 26 Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen.
27 De Israëlieten zeiden tegen Mozes: ‘We komen om, het is met ons gedaan, het is met ons allemaal gedaan. 28 Iedereen die in de buurt van de tabernakel van de HEER komt, sterft. Moeten wij dan allemaal omkomen?'
| Ds Geurs, hij stond in Gent, nu zit hij in Friesland, hield eens een kerkdienst. Hij las voor uit de Bijbel over Aaron die de broer van Mozes was. En dat de mensen vonden dat ze niet naar Aaron hoefden te luisteren, hij was toch tenslotte maar de kleine broer. Hij las ook dat God vond dat het wel moest, iedereen die zijn best doet moet je een plaatsje geven. Of niet soms, zei hij. En hij las dat God een teken gaf dat het zo moest. Want Aaron had een staf. Een soort stok dus. Die hoorde bij zijn uniform. Daaraan kon je zien dat je naar hem moest luisteren. En wat deed God? Hij maakte dat er bloemetjes aan kwamen, amandelbloesem. |
Heeft je grootvader een wandelstok? Stel je voor dat hij die van de kapstok haalt, en er zitten roosjes aan, of zo. Zou hij even raar opkijken!
De dominee zei dat je nog veel meer moet luisteren naar God. Naar Mozes veel, naar Aaron ook, maar heel veel naar God. Daarom vertelde hij het verhaal van de betonnen paal die bloeide. Het ging zo:
Er was een jongen die een geweldige leugenaar was. Wat die allemaal niet kon verzinnen. Hij zei een keer: He, zeg, luister. Ik heb een koe op een fiets gezien! En een andere keer: Ik zag een tractor, en er zat een varken achter het stuur. Als je het niet gelooft, ga maar kijken! Niemand die dat geloofde, natuurlijk. En niemand ging kijken.
Toen kwam een keer, en hij zei: Wat ik nou heb gezien. Een betonnen paal die bloeit. Echt waar, er zaten allemaal bloemetjes aan. Geloof je het niet, ga maar kijken. Dat doen we, riepen de andere kinderen, want ze hadden genoeg van die leugens. Een betonnen paal die bloeit, wie gelooft dat nou!
Ze gingen dus mee om te kijken, en wat zagen ze. Een huisje waar een boom bij stond. Een hagendoorn, en die stond in bloei. Prachtige witte bloesems met een roze randje. En daaronder stond een betonnen paal. Vol bloesems, er lag zelfs een takje op dat bloeide.
Hé, wat is dat, riep iedereen. Onze leugenaar ook, hij geloofde zijn ogen niet.
Het had geregend, en die paal was nat. En wat was gebeurd? De bloesems van de boom waren op die paal gevallen en waren eraan vast geplakt. De ene kant van die paal was helemaal roze. En dat takje lag er bovenop. Het leek wel een sprookje. Of een wonder.
En onze leugenaar? Die heeft een foto van die paal gemaakt, die liet hij later aan iedereen zien. Maar hij heeft nooit meer gelogen dat er koeien op een fiets zaten, of varkens op een tractor. Want wie weet gebeurt dat dan ook een keer! Stel je eens voor!
| En de dominee zei ook nog dit: dat mensen soms ook net betonnen palen lijken. Hard en stijf. Maar dat God komt, en Hij geeft met zijn liefde die mensen een verrassing. Net als die betonnen paal. Zijn genade en liefde is ook een soort bloesem. |
Toen was het verhaal gedaan, het orgel speelde en gingen de kinderen naar hun eigen dienst.
Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland
Franstalige versie: protestanet.be