Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 19 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Marcus 11,1-11 • Zacharia 9,1-10 •
In onze cultuur is een ezel een dier dat op onze lachspieren werkt. Wij beschouwen een grauwtje als een dom dier. De woorden ezel en domoor zijn dan ook synoniemen geworden. Zo dom als een ezel, is een bekende uitdrukking. Vroeger moest een leerling, die het niet begrepen had, met een ezelsmuts op het hoofd in de hoek van de klas staan. En wie heeft niet de houten marionet Pinokkio gezien met zijn twee echte ezelsoren. Die oren groeien vanzelf, wanneer men niet naar school gaat. Ook dat hoort bij onze langoor.
In de joodse wereld, heel algemeen, speelt langoor een heel andere rol. Om iets van die rol te verstaan kan men een oude foto bekijken, van het einde van vorige eeuw. Men ziet een stevige grote man met zwart haar en een lange vierkante zwarte baard. Hij draagt een wit pak en rijdt op een witte ezel. Die man is Theodor Herzl (1860-1904). Als journalist was hij geschokt door de Dreyfus-affaire in Frankrijk. Dit bracht hem er met de tijd toe, een joodse staat te willen oprichten in Palestina. Men duidt dit verlangen aan met de term Zionisme. Al dan niet bewust werd Herzl geïnspireerd door de Messiaanse traditie van zijn volk. Hij zei: Wat wij ginds zullen ondernemen voor ons welzijn, zal de hele mensheid ten goede komen. Jaren na zijn dood werd zijn gebeente van Wenen overgebracht naar de Herzl-berg te Jeruzalem, om daar een ereplaats te krijgen. Ondertussen was namelijk in 1948 de staat Israël gesticht.
De rabbijnse litteratuur laat ook, zelfs in haar algemeenheid, iets aanvoelen van de betekenis van de ezel. Zo kan men lezen, wie in zijn droom een ezel ziet, mag de (Messiaanse) redding verwachten, volgens Zacharia 9,9 (Bavli Berachot 56b). Het is hiermee al duidelijk dat in de joodse wereld langoor niet staat voor domoor. De ezel krijgt daar een zeer positieve, zelfs Messiaanse klank.
Maar laat ons dieper graven in de joodse en de bijbelse overlevering om de oorsprong en de ontwikkeling van het concept ezel te begrijpen. In de tijd van Jezus is het een heel gewoon straatbeeld in Galilea of Judea, een rabbi op zijn ezel, als een ereplaats, en de leerlingen die te voet rond het dier meelopen. Het gaat er zo aan toe wanneer de rabbijn een grotere afstand moet afleggen, anders gaat hij gewoon te voet. Maar er is meer over ons grauwtje te zeggen.
In de Hebreeuwse bijbel vindt men het levensverhaal van Mozes. Nadat hij de Egyptische opzichter gedood heeft, is hij gedwongen het land te verlaten. Hij vlucht naar Midjan en leert daar Sippora kennen, die zijn vrouw wordt, en ook haar vader Jetro. Daar wordt Mozes door God geroepen om terug te keren naar Egypte en zijn volk te verlossen. In Exodus 4,20 horen wij dan dat Mozes zijn echtgenote en zijn beide zonen op een ezel zet en er zelf naast gaat lopen, terug naar Egypte, om Israël te bevrijden uit de slavernij. In een rabbijns geschrift kan men de volgende diepzinnige commentaar op dat vers lezen. Rabbi Jitschaq (ongeveer 300 n.Chr.) zei: Zoals de eerste verlosser was, zo zal de laatste verlosser zijn. Zoals er gezegd is over de eerste verlosser, Mozes nam zijn vrouw en zijn zonen en zette hen op een ezel (Exodus 4,20); zo zal het ook zijn met de laatste verlosser, nederig en rijdend op een ezel (Zacharia 9,9). Zoals de eerste verlosser manna deed neerkomen, zie ik zal brood uit de hemel laten regenen voor u (Exodus 16,4); zo zal ook de laatste verlosser manna doen neerkomen, stukken tarwebrood zullen op de aarde liggen (Psalm 72,16). Zoals de eerste verlosser een bron deed opborrelen, (Numeri 20,11); zo zal ook de laatste verlosser water doen opborrelen, een bron zal van het huis des Heren uitgaan en de valei van Sittim bevloeien (Joël 4,18) (Prediker Rabba 1,9 einde). Mozes als de eerste verlosser van het volk, wordt hier steeds parallel geplaatst met de Messias, als de laatste verlosser van het volk. Zoals Mozes naar Egypte komt op een ezel om te bevrijden, zo zal de Messias op een ezel komen om Israël definitief te bevrijden. Merkwaardig zijn ook het manna en het water die hier genoemd worden, zij spelen elders een rol in het Nieuwe Testament, niet in ons verhaal.
Het andere vers uit de Hebreeuwse bijbel dat een belangrijke rol speelt als het om onze langoor gaat, werd reeds terloops genoemd, Zacharia 9,9. Marcus citeert het vers niet uitdrukkelijk, maar de woorden nederig en rijdend op een ezel, zitten vanzelf achter het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem. Wat bedoelt de profeet Zacharia eigenlijk? Het tweede deel van het boek werd waarschijnlijk geschreven bij het begin van de Griekse periode, vlak na de campagne van Alexander de Grote. De profeet verwacht het heil van het einde der tijden, maar het is in eerste instantie God zelf die het allemaal zal brengen, zie 9,1-8. Hij zal de vijanden van rondom verslaan, en Israël in bescherming nemen. Toch spreekt de profeet ook, met zeer verschillende beelden, over de Messias. In 9,9-10 wordt deze getekend als de koning, afstammeling van David, die als rechtvaardige overwinnaar naar Jeruzalem komt. Anders dan men zou verwachten is hij geen vechtjas, en rijdt op een ezel. Hij zal de wapens teniet doen, en vrede brengen voor alle volkeren. Ook de rabbijnen zien in de man op de ezel de Messias. Men vertelt dat rond 300 n.Chr. een zekere rabbi Hillel leerde dat het volk Israël geen Messias meer moet verwachten, daar hij reeds gekomen is in de dagen van koning Hizkia. Rav Josef (gestorven 333 n.Chr.) zei: De Heer vergeve het rabbi Hillel. Wanneer leefde Hizkia? Ten tijde van de eerste tempel. En zie, Zacharia heeft ten tijde van de tweede tempel geprofeteerd en gesproken, zeggende Zacharia 9,9 (Bavli Sanhedrin 99a). Rav Josef bestrijdt het standpunt van rabbi Hillel en bespeelt daarvoor de chronologie. Hij stelt dat wanneer Zacharia profeteert in de tijd van de tweede tempel, zijn profetie later moet uitkomen, en niet vóór die tijd. De profetie van Zacharia over de Messias blijft dus geldig voor het joodse volk.
Laat ons nu terugkeren naar onze eerste lezing, het verhaal van de intocht in Jeruzalem, volgens Marcus. De evangelist sluit zeer bewust bij de Messiaanse lijn van Zacharia aan. Jezus is meer dan een gewone joodse rabbi die met zijn discipelen Jeruzalem binnenrijdt.
Marcus noemt eerst en vooral de Olijfberg. Nu is het uitgerekend de profeet Zacharia die als enige in de Hebreeuwse bijbel die Olijfberg vermeldt. In 14,4 heeft de profeet het over de grote eindstrijd rond en in Jeruzalem. God komt zijn volk te hulp en verschijnt op de Olijfberg. De berg wordt zo tot een symbool van de verwachting van Gods heil. Marcus vertelt in de tweede plaats dat het volk Jezus toeroept, Hosanna, gezegend hij die komt in de naam des Heren. Deze zin komt uit psalm 118,25v en dit lied hoort tot de hallel-psalmen, die bij de pelgrimsfeesten gezongen worden. Aangezien het hier naar Pesach gaat, hoort de psalm bij dat feest. Pesach is het feest bij uitstek van de verwachting van de Messias. Wij hoorden over de laatste verlosser, die beantwoordt aan Mozes, de eerste verlosser. Het zinnetje uit de psalm krijgt zo een uitgesproken Messiaanse klank. Voor het geval men het nog niet begrepen mocht hebben, voegt Marcus, in de derde plaats, nog een typische eigen zin aan het geheel toe. Hij zegt, gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Er staat niet het klassieke, komende Koninkrijk van God. Het komende koninkrijk van David betekent het komende Messiaanse rijk, daar de Messias de zoon van David bij uitstek is. Heel het verhaal van Marcus eindigt zo in de vreugde en de zang van de massa, en het noemen van het Koninkrijk van de Messias, in concreto het Koninkrijk van Jezus. Er is ongetwijfeld geen scène in de evangeliën te vinden die uitbundiger en vrolijker is dan deze. Eindelijk heeft Jezus erkenning gevonden, en dat nog wel in Jeruzalem. Nu breekt het Messiaanse Rijk aan, wanneer hij naar de tempel gaat, om er van God zijn waardigheid te ontvangen. Het is één grote triomf!
En toch heeft het verhaal van de intocht in Jeruzalem niets te maken met christelijk triomfalisme. De intocht van de Messias beantwoordt niet aan onze machtsdromen. Volgens de evangeliën gaat Jezus naar het kruis, naar de Goede Vrijdag. Hoe kan dit zo direct na de intocht? De goede lezer van ons verhaal, kan dit hier reeds horen. Maar hij moet wel de geheimen van de tekst kunnen ontcijferen.
Zacharia 9,9 zegt nederig en rijdend op een ezel. De twee begrippen, gescheiden door en, zijn eigenlijk synoniemen. Iemand die rijdt op een ezel is alledaags, gewoon, vreedzaam. Vergeleken met een koning die op zijn paard, een vurig strijdros, rijdt, is Jezus nederig. De koning die zijn troepen beveelt, of die gewoon schatrijk en machtig is, rijdt nooit op een ezel. Het woord nederig (in het Hebreeuws ani) heeft in de grondtaal een hele reeks betekenissen. Het begint bij arm en ellendig, en het gaat voort met nederig en lijdend. De rabbijnen hebben het ook zo verstaan, het gaat om een arme Messias.
Als men voorzichtig is, en geen buitensporige conclusies wil trekken, dan mag men wellicht nog één stapje verder gaan. In een populair joods geschrift kan men lezen. Toen stond Abraham des morgens vroeg op en zadelde zijn ezel (Genesis 22,3). Dat was de ezel waarop Mozes reed toen hij naar Egypte kwam, zie Exodus 4,20, en op deze ezel zal het zijn dat eens de zoon van David (de Messias) zal rijden, zie Zacharia 9,9 (Pirqe derabbi Eliëzer 31). Dit betekent dat eenzelfde ezel de drie figuren, Abraham, Mozes en de Messias samenbindt. We zagen reeds wat dit met betrekking tot Mozes inhoudt. Genesis 22 is het hoofdstuk dat vertelt over Abraham die Isaak moet offeren op de berg Moria, en de ezel brengt vader en zoon naar hun bestemming. In hetzelfde hoofdstuk vertelt het populaire geschrift ook dat Isaak werkelijk sterft op het altaar, maar wanneer Gods stem weerklinkt, onmiddellijk uit de dood wordt opgewekt. Isaak is dan ook de eerste die de zegenspreuk over de opstanding der doden, uit het joodse achttien-gebed, op dat ogenblik reciteert.
Wat hier in de joodse tekst gezegd wordt is niet allemaal precies hetzelfde als wat men in de evangeliën leest. Maar toch is er een niet te miskennen fundamentele verwantschap, wat betreft de structuur en de inhoud der voorstellingen. Laat ons dus niet in de val van het uiterlijke triomfalisme van de Palmzondag trappen. Wie op een ezel rijdt in het spoor van Mozes is de Messias, maar de Messias is ook bezig met lijden en dood. De hoopvolle intocht van Palmzondag leidt inderdaad ook naar de Goede Vrijdag.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be