Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 20 van het kerkelijk jaar (Pasen)
Johannes 19,28-37 • 20,1-18 •
Wanneer men het Johannesevangelie vergelijkt met de synoptische evangeliën, dan staat men steeds weer versteld van de eigenzinnigheid van het vierde evangelie. Johannes vertelt allerlei dingen die men bij de anderen niet vindt, en omgekeerd vermeldt hij dingen niet die men wel bij de synoptici kan lezen. In de verhalen van de kruisiging en de opstanding van Jezus zijn de onderlinge afwijkingen minder groot dan elders, maar wanneer men scherp leest en vergelijkt, dan bemerkt men dat Johannes ook hier eigenwijs blijft.
Wat opvalt in het eerste gedeelte dat wij gelezen hebben, is dat Johannes, meer dan de andere evangelisten, beklemtoont dat Jezus wel echt dood is. De verzen 31-37 treft men uitsluitend bij de vierde evangelist aan, niets van die aard vindt men bij de anderen. De lichamen moeten van de kruisen gehaald worden, en de Romeinse soldaten dienen te controleren of de drie misdadigers reeds dood zijn, en zo niet, zullen zij de dood verhaasten door het breken van de onderste ledematen. Jezus blijkt reeds gestorven te zijn, en om daar verder geen enkele twijfel over te laten bestaan, steekt een der soldaten met een lans in zijn zijde.
Waarom moet men zo beklemtonen dat Jezus echt dood is? Omdat de kruisiging wel een doodstraf is, maar niet noodzakelijk ook betekent dat men werkelijk sterft! Wanneer men iemand aan een kruis nagelt en bindt, dan is geen enkel vitaal orgaan geraakt, en de veroordeelde leeft verder aan het kruis, waar hij niet van loskomen kan. De dood komt langzaam, enkel en alleen door uitputting van de terechtgestelde. Deze blijft hangen in de brandende zon en in de ijskoude nacht. Soms gaan daar dagen over. Men kan zich een goede voorstelling maken van wat kruisigen betekent, wanneer men zich het slot herinnert van de film Spartacus met Kirk Douglas in de hoofdrol. De grote slavenopstand van 73-71 v.Chr. wordt uiteindelijk door Rome neergeslagen, en alle leiders van de opstand worden buiten de poorten van de hoofdstad in lange rijen gekruisigd. Spartacus hangt aan zijn kruis dag na dag stilaan uit te doven, en allerlei mensen komen nog met hem spreken. Door Flavius Josefus en rabbijnse teksten weten wij dat gekruisigden in bepaalde omstandigheden van het kruis werden gehaald en dat zij, na een herstelperiode, gewoon verder leefden. Men vertelt zelfs over rijke personen die gekruisigden vrijkochten. Als men daarmee rekening houdt, dan verstaat men ook waarom één of meerdere Romeinse soldaten de wacht moesten houden bij veroordeelden die op hun dood hingen te wachten. Familie of vrienden konden hen immers bevrijden. De beruchte Romeinse schrijver Petronius vertelt het bizarre verhaal van zo een wacht die verliefd wordt op een jonge weduwe, die treurt over haar man, op een vlakbij gelegen begraafplaats (Satyricon 111v). Dit alles betekent verder ook dat iemand die voor dood van zijn kruis genomen wordt, misschien nog wat leeft, en mits verzorging kan herstellen. Daarom zegt Johannes, Jezus is echt volledig dood, het optreden van de Romeinse soldaten garandeert dit.
Er is echter nog een ander probleem, en dat houdt verband met de wijze van begraven. In rotsachtige gebieden, zoals Jeruzalem, begroef men in grafkamers uitgehouwen in de rots. De toegang tot de ruimte werd afgesloten met een ronde steen. In die grafkamers was het lekker koel en het kon gebeuren dat een schijndode weer bij zijn positieven kwam. Men mag niet vergeten dat men in Israël, en ook elders, de overledenen snel begroef, meestal op de sterfdag zelf. Men kon zich dus vergissen. Een vrij onbekend oud joods geschrift vertelt dat men tot drie dagen na de begrafenis moet gaan kijken of alles in orde is in de grafkamer. Men citeert er verder twee gevallen van mannen die achteraf niet dood bleken. De eerste leefde nog 25 jaar, en de andere verwekte nog vijf kinderen, eer zij echt stierven (Semachot 8,1 en 9,20).
Wanneer men het tweede gedeelte dat wij uit Johannes gelezen hebben - dit geldt met name voor de verzen 1 tot 13 die men de eerste faze zou kunnen noemen - vergelijkt met de synoptische evangeliën, dan constateert men weer verschillen. Op de paasmorgen, zo leest men heel algemeen bij de eerste drie evangeliën, gaan twee of drie vrouwen naar het graf. Er is iets met de steen voor het graf, hij is weggerold. In het graf is er geen lijk meer. Zij zien één of twee engelen die zeggen dat Jezus verrezen is. Ook moeten zij het vertellen aan de discipelen. Bij Johannes wordt dit grondpatroon iets gewijzigd in die zin dat er slechts één vrouw is, Maria Magdalena. Maar vooral verschillend is het feit dat Petrus en de discipel dien Jezus liefhad, als nieuwe figuren in het verhaal worden ingewerkt. Petrus, als voornaamste discipel, doet eigenlijk niets en speelt geen rol, behalve als eerste en eerbiedwaardigste voorgaan in het graf. Men vindt iets vergelijkbaar in Lucas 24,12; dit vers komt echter in sommige handschriften niet voor, en er is een goede kans dat het niet oorspronkelijk is. Met de discipel dien Jezus liefhad bedoelt Johannes waarschijnlijk zichzelf, en over die leerling wordt uiteindelijk gezegd, hij zag en hij geloofde. Dit is een belangrijk gegeven, want Johannes is volgens het verhaal de eerste die de gebeurtenissen van de paasmorgen begrijpt. Waarom begrijpt hij wel, en Maria Magdalena niet?
Maria Magdalena is de eerste die ziet. Haar reactie op het geziene luidt, zeer realistisch en logisch, zij hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben. Men kan deze uitspraak op twee manieren verstaan. Zij kan eerst slaan op grafschenners en lijkrovers. Zij zouden, misschien in opdracht van de tegenstanders van Jezus, het lijk hebben laten verdwijnen. Er is een inscriptie bekend uit Nazaret, van keizer Claudius, een tekst die een goede tien jaar na Jezus geschreven werd. De keizer zegt daarin dat mensen die dit doen, voor de rechtbank moeten verschijnen, en zo ze schuldig worden bevonden, krijgen zij de doodstraf (1). Toch lijkt het niet waarschijnlijk dat men hier aan lijkrovers moet denken. De tweede mogelijkheid komt hierop neer, dat Jezus in een voorlopig rotsgraf gelegd was, dichtbij Golgota, vanwege de komende sabbat (zie 19,42). Er was niet genoeg tijd om hem in zijn eigen graf te leggen. Na de sabbat wilde men hem naar zijn begraafplaats overbrengen. Maria Magdalena denkt dat men daarmee bezig is, zo vroeg in de morgen. Maria ziet dus het lege graf, maar gelooft niet, begrijpt niet. Zij denkt zeer realistisch dat haar Heer naar een ander graf verhuisd wordt. Het is pas wanneer zij aan het einde van onze lezing (verzen 14-18) als eerste de Verrezene ontmoet, dat zij gelooft en begrijpt.
Van Johannes, de lieveling van Jezus, wordt eerst en vooral gezegd dat hij ziet. Wat ziet hij? Het geopende en lege graf natuurlijk. Maar er is meer, en die twee andere dingen zijn weer helemaal typisch voor het Johannesevangelie. Men vindt niets dergelijk bij de synoptici (over Lucas 24,12 hadden wij het reeds). Eerst ziet hij de linnen windsels of zwachtels. In 19,40 heeft de evangelist verteld dat Jozef van Arimatea en Nikodemus het lichaam van Jezus met de bandjes omwikkeld hebben, met daartussen specerijen (mirre en aloë). Wij kennen die bandages vooral van de Egyptische mummies, maar hier is van geen mummificatie sprake. Bij mummies worden delen uit het lichaam weggenomen en wordt het hele lijk zeventig dagen in een bad van natron, waarschijnlijk keukenzout, gelegd. Dit alles deden de joden niet. Wij weten wel uit het reeds genoemde geschrift dat men in Israël windsels gebruikte en soms ook wijn en olie om het lijk te verzorgen (Semachot 12,9v en ook 1,2). Bij mummies werden eveneens specerijen, wijn en olie gebruikt. Het is waarschijnlijk dat later de joodse gebruiken onder invloed van de rabbijnen enigszins veranderd werden. Dit alles kan men zeggen naar aanleiding van het vierde evangelie. Bij Marcus en Lucas wordt Jezus zonder specerijen in het graf gelegd, en de vrouwen komen er eerst op de paasmorgen mee. Door de sabbat was er blijkbaar te weinig tijd om het lichaam volledig te verzorgen. Jezus lag enkel in zijn linnen doek, de lijkwade, in het graf. Bij Johannes is de verzorging van de dode af, bij de synoptici (als men Matteüs mag meerekenen) waarschijnlijk nog niet.
Maar de discipel Johannes ziet nog iets in het graf, de zweetdoek van Jezus. Men zou deze kunnen vergelijken met onze zakdoek of onze handdoek. Zo een doek werd op het hoofd van de dode gelegd om zijn gezicht te verbergen, maar kon er ook makkelijk afgenomen worden om hem te zien. Het hoofd was dus niet omzwachteld met bandjes. Bij de mummies werd het hoofd wel omwonden, maar bevestigde men op de plaats van het gezicht een masker of in latere tijden een geschilderd portret van de overledene bovenop de bandjes. Mummies konden bij de Egyptenaren zelfs zo rechtstaande opgesteld worden in de woonhuizen. Voor de joden was dit een ware gruwel! Johannes ziet deze zweetdoek van Jezus afzonderlijk opgerold, niet bij de windsels.
Zwachtels en zweetdoek doen denken aan een ander verhaal, dat men eveneens alleen bij Johannes vindt, dat van de opwekking van Lazarus. Over hem wordt verteld in 11,44 dat hij uit het graf komt met voeten en handen gebonden door bandages en een zweetdoek om zijn gezicht. Dit beantwoordt volledig aan Jezus’ toestand. In de oudchristelijke kunst van de catacomben en de sarcofagen wordt Lazarus veelvuldig afgebeeld met bandjes en zweetdoek, staande in de grafopening. Eerst veel later is men een engel gaan afbeelden die de plaats aanwijst waar Jezus lag. Men kan dan duidelijk de windsels en de zweetdoek onderscheiden. Een mooi voorbeeld van dit laatste kan men bewonderen in het Louvre te Parijs (afdeling Byzantijnse kunst). Het gaat om een vergulde plaat in reliëf, van het reliekschrijn met de steen van het graf van Jezus. Het kunstwerk werd vervaardigd in Constantinopel in de eerste helft van de twaalfde eeuw.
De tekst zegt dat Johannes ziet en gelooft. Wat gelooft hij? En hoe staat dit in verband met hetgeen hij ziet? Wat hij gelooft kan volgens de hele context uiteraard niets anders zijn dan dat Jezus waarlijk verrezen is uit de dood. Zoals wij zagen was Jezus ontegensprekelijk dood, en verder ook volledig als dode verzorgd en afgewerkt. Er ontbrak niets aan de dood en aan de graflegging. Maria Magdalena is het daarmee eens, maar zij meent dat grafschenners of mensen die het lijk wilden verplaatsen, het hebben meegenomen. Johannes is echter gefascineerd door de zorg waarmee de bandjes en de zweetdoek zijn achtergelaten. Wilde men het lijk verplaatsen dan had men het niet van die dingen ontdaan. Ging het om rovers op zoek naar juwelen, dan hadden die de zwachtels doorgesneden, de juwelen die er eventueel tussenzaten genomen en al de rest rommelig achtergelaten. Er is dus maar één conclusie mogelijk voor hem, Jezus is verrezen en zijn dodenbekleding is ongeschonden en ordelijk blijven liggen. Jezus is bevrijd uit de dood.
Dat Johannes dat zo gelooft is niet vreemd. Het geloof in de opstanding der doden neemt een belangrijke plaats in bij het farizees georiënteerde rabbijnse jodendom. De Sadduceeën wilden niets van de opstanding weten, maar in die kringen horen Jezus en zijn leerlingen niet thuis. Voor Jezus en zijn discipelen is de verrijzenis een realiteit. Gezien het bijzondere van Jezus’ leven en zijn profetisch en Messiaans optreden, moet hij wel opgestaan zijn. Hij is de eersteling van de algemene verrijzenis van alle mensen, vlak vóór de komst van het Godsrijk. Achteraf zullen de Heilige Schriften deze overtuiging van Johannes, en de overige discipelen, nog versterken en schragen, maar Johannes gelooft reeds nu.
De discipel, dien Jezus liefhad, ziet de ongeschonden dodenbekleding van Jezus en gelooft in zijn verrijzenis. Op de avond van dezelfde paasdag verschijnt de Opgestane aan zijn vergaderde discipelen, juist zoals hij tevoren in de eerste plaats aan een vrouw, Maria Magdalena, verschenen is. Het geloof van Johannes wordt zo bevestigd.
Schenke God ons ook dat geloof in de Verrezene uit de dood, Jezus de Messias. En dat spoedig de opstanding van alle mensen kome, en het Koninkrijk van God.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) Zie C.K.Barrett, The New Testament Background: selected documents, New York 1961, p.15 tekst 10.
Franstalige versie: protestanet.be