Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Over een gouden ketting die brak

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Wat is ware vriendschap
Johannes 15 vers 15: Ik heb u vrienden genoemd.

Bijbeltekst (NBV)

Johannes 15

25 Zo ging in vervulling wat in hun wet geschreven staat: "Ze hebben mij zonder reden gehaat."

Verhaal

Bijbelverhaal voor kinderenDs. Geurs had het op een zondag over ware vriendschap. Dat was het thema van zijn dienst. Ik had een slecht humeur die dag, want de zilveren ketting die ik altijd draag, was gebroken. Hij vertelde aan de kinderen een verhaal: Over een gouden ketting die brak. Ik schrok behoorlijk, want ik dacht dat hij het over mij had. Ik heb als catechisant dus gauw een verslag van dat verhaal geschreven, want als je in de kerk zit en je kan je nuttig maken, is dat tweemaal goed, zegt mijn moeder.

Hij zei dit:

Er waren eens twee vriendinnen, ze heetten Gina en Ina, en je zag ze altijd samen. Ze hadden het grootste plezier samen om niets, ze vertelden elkaar al hun hartsgeheimen en waar de een was, was de ander ook. Ik moest altijd om ze lachen, want ze waren zo gelukkig met elkaar.
Als ze naar de catechisatie kwamen liepen ze hand in hand - als niemand ze zag, tenminste. En als ze dan bij de kerkdeur waren, bleven ze altijd even staan om elkaar gauw nog iets te vertellen. Gina kwam altijd voor Ina op, en Ina deed hetzelfde voor Gina. Want wie aan Gina komt, komt aan MIJ, placht ze te zeggen.
Ik moet jullie zeggen dat ik wel eens jaloers was op die twee, want zo'n goede vriendschap als zij hadden, waar vind je die. Want als de een ziek was en een paar dagen thuis moest blijven, dan was de ander ook een beetje ziek en helemaal van slag, en het was pas weer goed als ze bij elkaar waren. Eén keer gebeurde er iets waarover nog lang werd gepraat. Gina had hoofdpijn, en ze wilde geen aspirientje nemen. Toen nam Ina er een - en de hoofdpijn ging over. Hoe in de wijde wereld kàn dat, vroeg haar moeder. O, zei Gina, als mijn vriendin een aspirientje neemt, helpt dat ook voor mij. Ik bedoel maar, dàt waren nog eens echte vriendinnen.

Toch niet altijd. De mooiste appel heeft wel een rot plekje, zegt mijn moeder altijd. Op een gegeven dag kregen ze ruzie. Waarover, dat hebben ze nooit verteld, want ze schaamden zich er later over. Maar het liep hoog op, dat wel. Een beetje trekken en duwen, natuurlijk. En toen brak de gouden ketting die Gina altijd droeg. Wat een schrik was dat! Ze vergaten meteen hun ruzie. De ketting van Gina was stuk!
Huilen natuurlijk, en naar moeder toe, en die zei: Eigen schuld. Leg hem maar in de la, dan zien we later wel. Zo ging er een tijdje voorbij. De hartsvriendinnen zagen elkaar niet, en wat waren ze ongelukkig. Ze liepen maar wat heen en weer, en als ze elkaar zagen liepen ze eerst gauw naar elkaar toe, omdat ze dat gewend waren, en dan opeens dachten ze tegelijk: o, nee, we hebben ruzie, en dan draaiden ze zich om. En 's avonds, als Gina naar bed ging, huilde ze vaak om die domme ruzie. Dan haalde ze haar gouden ketting uit de la, en deed de losse eindjes aan elkaar. Maar die vielen natuurlijk meteen weer van elkaar af, en bungelden slap naar beneden. Net als onze vriendschap, zei Gina, die was een mooie gouden ketting, hoe je hem ook draaide, hij bleef mooi en hij glansde altijd. En nu - Ina is een los eindje en ik ben er ook een. We bungelen maar wat als losse stukjes. Dat deed haar veel verdriet.

De volgende dag kwam ze Ina tegen. Ze liepen gauw naar elkaar toe, net als altijd, en juist toen ze dachten: o nee, we hebben ruzie, zei Ina: Lieverd, heb je jouw gouden ketting bij je. Nee, natuurlijk niet, zei Gina, waarom? Hij is immers kapot, zoals je misschien weet. We moeten hem heel laten maken, zei haar vriendin. Ga je mee naar de goudsmid, hier om de hoek? Een goudsmid kost geld, zei Gina. Ina stak haar hand uit. In haar zakdoek lag al haar spaargeld. Mag dat van je moeder, vroeg Gina. Het is mijn geld, zei Ina. Die zakdoek is nat, zei Gina, hoe komt dat. O... ik heb er een beetje in gehuild, zei haar vriendin, en keek de andere kant uit.

Zo zijn ze samen naar de goudsmid gegaan. Die bekeek de ketting en hij zei: Wat is dat een mooie! Ja, goudsmid, zeiden ze allebei tegelijk, dit is de mooiste ketting van de hele wereld! Er hangt ook een medaillon aan, zei de goudsmid, een hartje nog wel. Zit daar een foto van je vriendje in, Gina? O néé hoor, riep ze, zo rood als een tomaat, daar zit de foto van mijn vriendin in, van Ina!
Wat deed de goudsmid. Hij legde de ketting op zijn werktafel. Dat is onze vriendschap, zei Gina. Hij legde de losse eindjes tegenover elkaar. Dat zij wij dus, zei Ina. Want die twee begrepen elkaar altijd, zelfs als ze ruzie hadden. En wat deed de goudsmid nog. Hij deed open zijn la, hij haalde eruit een gouden schakel. Die maakte hij open met zijn tang. Toen pakte hij het ene losse eind van de ketting, en hij stak die erin. En nu steekt u het andere losse eind aan de andere kant, zei Ina. En dat deed hij. Zo waren de beide losse eindjes weer bijeen, en de schakel zat ertussen. Maar die was nog open, ze konden er zo weer uitvallen. Wat deed de goudsmid toen. Hij pakte zijn tang, en boog de schakel dicht. Maar misschien zou die schakel nog weer open kunnen buigen. Wat deed hij? Hij draaide aan een kraan, uit een tuit kwam opeens vuur. En blazende vlam, eerst rood, en toen hij goed heet werd, wit. Daar hield hij de schakel in, dat deed hij, die goudsmid, aan een tang. Toen smolt die schakel aaneen in dat witte vuur en de ketting kon niet meer van elkaar vallen.

Wat deed de goudsmid toen. Hij pakte een zachte doek, hij wachtte tot het goud was afgekoeld, en toen wreef hij tot alles glom als de zon die er door de winkelruit op scheen. En op de toonbank viel in spiegelschrift het woord ‘goudsmid' dat in sierlijke krulletters op de etalageruit stond.
En toen Ina haar geld op de toonbank legde om te betalen, zei hij: Meisje, zeg eerlijk, is dat je spaargeld? Ja mijnheer, zei ze, het is alles wat ik heb, als het niet genoeg is neem ik wel een krantenwijk, ik heb alles voor mijn vriendschap over. Omdat je dat zegt, zei de goudsmidman, hoef je niets te betalen.

Daarmee eindigde het verhaal, zei de dominee. Maar niet voor mij die dit schrijf. Ik zag hem in de toren. Ik zeg tegen hem: Dominee Geurs, bedankt voor uw verhaal. Ik geloof dat ik ook een verklaring weet. Zeg hem maar, Jenneke, zegt hij. Nou, zeg ik, die schakel die de goudsmid zette, is de Heer Jezus. Want Hij brengt al wat gebroken en kapot is bijeen. En dat die schakel door het vuur moest, dat wil volgens mij zeggen dat de Heer veel moest lijden, want lijden is vuur, dat weet je als je goed verdriet hebt. En door Zijn lijden is die vriendschap weer heel gemaakt.

Hij stond een poosje naar de grond te kijken. Toen zei hij: Dan heb ik ook nog een verklaring, dank zij jou. Iedere goede vriendschap is een geschenk van de hemel. En dat die goudsmid de ketting opwrijft, wil dan zeggen dat ware vriendschap een stukje van de hemel is.

Ik gaf hem de hand, maar hij riep mij terug, wat ik vervelend vond, want ik had toevallig een vuiltje in mijn oog en dat traande een beetje. Hoe weet je dit allemaal, Jenneke, vroeg hij. Wat moest ik zeggen. Dominee, ik heb ook een ketting die gebroken is, heb ik maar gezegd. De mijne gaat morgen ook naar de goudsmid, dat is zeker. Misschien betaalt u de reparatie....

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be